is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1101, 14-10-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht b.v. zou worden uitgebreid. Zulke berichten zijn natuurlijk interessant omdat zij er op wijzen, dat men in Rusland zelf zich van deze critiek wel bewust is, maar voorlopig hebben ze niet veel te betekenen. In Rusland bestond wel al stemrecht voor de arbeidende bevolking, maar wat heeft men feitelijk aan dat recht wanneer er — net als in Duitsland — maar één partij is, waarop men stemmen kan?

Het is mogelijk, dat al deze dingen veranderen, wanneer eens — ook voor Rusland — het oorlogsgevaar afneemt. Op het ogenblik werkt men daar koortsachtig aan de bewapening, er zijn reusachtige vliegtuigfabrieken en de hele bevolking wordt geoefend voor de krijgsdienst. In zulk een sfeer bloeit het nationalisme, ook helaas het proletarische nationalisme en er is weinig tijd voor bezinning en voor rechtvaardig oordelen. Dit oorlogsgevaar dreigt van twee kanten: van Duitsland en van Japan, dus van twee staten, die zelf ook sterk nationalistisch en militaristisch zijn. Misschien zou een democratisering van de rest van de wereld ook de groei van een democratie in de Sowjet Unie kunnen bevorderen!

HILDA VERWEY—JONKER.

Groeiend verzet

Langzamerhand komt weer de tijd aan, dat de gemeenteraden zich zullen moeten verdiepen in de jaarlijkse begrotingen. Opwekkende lectuur bieden deze niet; alles draait letterlijk om de financiën, die er in tal van gemeenten waarlijk hopeloos voorstaan. De gemeentelijke machine hokt; hokt hoe langer hoe meer. Vlot handelen wordt in de meeste gevallen belet door Den Haag. In hoe langer hoe meer gemeenten en steeds dringender begint zich het protest te uiten, dat zich richt tegen de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten.

Volgens onze wetgeving is de gemeente een zelfstandig lichaam, dat haar eigen beheer voert. Van dit eigen beheer is, voornamelijk op financiëel gebied, in de crisisjaren weinig overgebleven. De gemeenten zijn in vele opzichten ledepoppen geworden; Den Haag trekt aan de touwtjes.

Als we ons aan 't eind van de 4-jarige regeringsperiode-Colijn afvragen, wat deze regering zoal bedorven en verknoeid heeft aan 't aloude recht der gemeenten, haar autonomie of zelfbeschikkingsrecht, dan komen we allereerst terecht bij de ontzaglijk zware lasten van werklozenzorg, die de regering op de gemeentekassen heeft afgewenteld. Heel in het

begin der crisis droeg de regering zo goed als niets bij in de lasten der werklozenzorg en werkverschaffing. In 1933 was de rijksbijdrage gestegen tot 75 millioen per jaar. Dit vond de regering voor 's Rijks schatkist een te zware druk en in de Tweede Kamer deed zij mededeling, dat er voortaan niet meer dan 46 millioen door het Rijk in de werklozenzorg zou worden bijgedragen. Dit heeft sterke protesten uitgelokt van de in het nauw gedreven gemeenten. Zonder succes natuurlijk; de regering was oppermachtig. Maar zóveel begreep de regering toch nog wel van de nood der gemeenten, dat bij een zó sterk verminderde rijksbijdrage de gemeentelijke kassen onherroepelijk te kort zouden komen.

Toen nam men het prachtige besluit van

het uitgestoten bedrag.

De gemeenten, die niet in staat waren hun verplichtingen na te komen, mochten een bepaald deel, dat zij niet konden betalen, uitstoten. Het bedrag, dat uitgestoten werd, zou de regering voorschieten, en de betreffende gemeente moest het bedrag in tien jaren tijd afbetalen.

Ook dit was natuurlijk een lapmiddel. Want als je al te kort komt, ben je niet in staat, ook nog een lening te sluiten en af te lossen. Daarom werd in 1935 het Werkloosheidssuösidiefonds gesticht. Men dacht hiermede de lasten van de werklozenzorg billijker te verdelen over alle gemeenten van het land en beschouwde het als een algemene pot, waarin alle gemeenten 25 % van hun voornaamste belastingopbrengst moesten storten. Men kreeg uit die algemene pot een bepaalde bijdrage voor de steun en men kon, als 't er kneep, ook nog een extra-bijdrage of een belastingbijdrage krijgen. Maar al die buitengewone weldaden werden natuurlijk niet voor niets door het Rijk verstrekt. Elke gemeente, die zo'n bijdrage raamde, moest daarvoor haar begroting aan Den Haag presenteren. Meestal werden er dan onbarmhartige wijzigingen en doorhalingen in gemaakt, waardoor, dat is de grootste grief van onze Partij, het wettelijk recht, de gemeentelijke autonomie, een paskwil is geworden.

Hoe ontzettend vertragend bovendien dit systeem werkt begrijpt iedereen, als men weet, dat tal van gemeenten nu, in 1936, nog niet de begroting van het jaar 1934 goedgekeurd gekregen hebben. Deze toestand werkt eenvoudig verlammend op elk gezond gemeentelijk leven. Grote volksgroepen snakken dan ook naar 't einde van deze regeringsperiode, niet in het minst in 't belang der gemeentehuishouding. We weten zeer goed, dat ook een sociaal-democratisch bewind geen kans zou zien op hokuspokusmanier de crisis op te lossen en de welvaart uit de grond te stampen. Maar wel weten wij met grote zekerheid, dat een geheel andere koers ingeslagen zou worden wat betreft de verhouding tussen Rijk en gemeenten. H. W.

Voedingsleer

„Vrouwen, vorige keer hebben wij gezien, wat het voedsel, dat wij dagelijks opnemen ons geeft, namelijk warmte, stoffen voor opbouw en herstel van het lichaam, en het vermogen om te arbeiden. Wij zullen deze dingen stuk voor stuk nader bekijken, opdat wij weten, waarom we dit of dat eten en waarvoor we dit of dat nodig hebben. Lichaamswarmte.

Het ontstaan der lichaamswarmte door het opgenomen voedsel kunnen we als het ware vergelijken met de warmte die geleverd wordt door de brandstof voor een brandende kachel. Evenals in de kachel, heeft er in ons lichaam een verbranding plaats, waarbij als verbrandingsproducten ontstaan koolzuur en waterdamp.

De zuurstof, die we voor de verbranding in ons lichaam nodig hebben, ademen we voortdurend in. De koolzuur en waterdamp, die bij de verbranding ontstaan, ademen we steeds weer uit. De temperatuur in de kachel kunnen we regelen, die van ons lichaam is onder normale gevallen altijd dezelfde, omdat door huid, longen en nieren de overtollige warmte wordt afgestraald. Arbeid.

jP '5- ' ' • • •• " V )jj ■ ■ ; '

In zeer véél gévallen kan warmte veranderd worden in een beweging, immers de warmte die de steenkolen voor onze locomotieven leveren is weer de oorzaak, dat de locomotief in beweging komt, dus arbeid verricht. Zo gebeurt het ook in het menselijk lichaam. De warmte, die bij de verbranding van het voedsel ontstaat, zorgt voor een deel om het lichaam een constante (gelijkmatige) temperatuur te doen behouden, terwijl een ander zorgt dat het lichaam zich kan bewegen, dus arbeid verricht.

Opbouw en herstel van het lichaam.

Evenals alle voorwerpen om ons heen slijten, zo slijt ook ons lichaam. Daar die vergane lichaamcellen voortdurend door nieuwe vervangen worden, die ons lichaam uit de stoffen, die we uit het voedsel opnemen, opbouwt, merken we van die slijtage niets. Soms zien we er iets van als de huid vervelt. (Een cel is het kleinste deeltje, waaruit een lichaam is opgebouwd).

, INGEKOMEN BRIEVEN.

M. G.—R. Ik zal gaarne uw „kleine wenken" ontvangen om te zien of er wat voor plaatsing in aanmerking komen.

„KLEINE WENKEN".

Als ge een vet bord hebt en geen heet water, kunt ge die ook met toevallig overgebleven warme thee, een ietsje zeep of soda en overgespoeld schoon water schoon krijgen. Hebt ge er meer, dan kan afgietwater van groente of aardappels goed dienst doen. Daar heeft men meestal grotere hoeveelheid van.

Weet u, wanneer u in het water voor een bouquetje een asperientje of stukje stijfsel doet, de bloemen langer mooi blijven? E. P.—M.