is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1104, 04-11-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel schilleman", zei Moe, „misschien,

ik kijk al daad'lijk even;

'k bewaar de schillen daar in 't hoekje, in die mand,

en zal ze jou graag geven.

Ach kijk, nu staat er juist vandaag

een lege mand in 't hoekje;

Maar, schilleman, is dat ook naar je zin?

'k heb hier een lekker koekje,

'k heb hier een lekker koekje,

De regels (de keuken binnen stappen) en (dag juffrouw heb je schillen?) moeten wat langzaam en met nadruk gezongen worden. De cursief gedrukte lettergrepen worden met twee noten gezongen.

Van het tweede coupletje wordt de laatste regel twee keer gezongen De muziek van de tweede keer, staat hierachter aangegeven.

D. v. K.—B.

*

Het standje van demi burgemeester

Door M. P. ZAALBERG.

(Slot.)

Bij het naar huis gaan liep ik er nog aldoor aan te denken — mijn hoofd helemaal naar beneden — wat ik toch doen moest met vader. Niets zeggen en hem in de waan laten, dat ik een lief meisje was, of hem vertellen wat we gedaan hadden — en dan klikken.

Ik kwam er niet uit — hoe ik ook dacht — maar daar, vlak bij huis, zag ik moeder voor het raam staan en in eens wist ik het. Haar zou ik alles opbiechten, dan klikte ik niet tegen den burgemeester en had toch aan een van mijn ouders verteld, hoe 'n ondeugend meisje ik eigenlijk was. Ik begon er dan ook maar dadelijk over, toen ik binnenkwam. En ik moet je zeggen: moeder schrok er erg van. Maar bij het verhaal van de advocaat in onze sponzedozen, trok ze zo'n vies gezicht, dat ik het uitproestte van het lachen en verbeeld je, m'n moeder ook!

Ja maar, moeder, zei ik, toen we wat bedaard waren, we hadden ze eerst afgewassen onder het fonteintje in de gang de vorige dag al — en we dronken niet van de rand, maar van het midden.

Net als een poes? Ja, net als een poes.

Alle twee schaterden we het weer uit, maar gauw werden we weer ernstig om het moeilijke, wat we toch met vader moesten doen. Moeder vond het ook een heel lastig geval.

Eindelijk, na een poosje stil te hebbsn nagedacht, zei ze: Lien, je moet het maar niet vertellen. Klikken vindt vader vreselijk, daar weet ik wel een middel op: wéés dan voortaan, zoals vader denkt, dat je nu al bent. En eigenlijk scheelt dat maar een paar dagen, want te voren, vóór dat jelui deze ondeugendheid uit haalden, toen deed je toch nooit zulke dingen, is het wel?

Ik knikte heftig van neen, want dat was waar, toen deden we niets — behalve dat praten dan.

Nu dan: vóór die tijd en na die tijd niet — nu dan is vader

toch niet zo erg mis, als hij denkt, dat je een lief meisje bent. De jufirouw heeft jelui gespaard door enkel over dat praten te spreken, laten w.j dan vader sparen, want natuurlijk zou hij er schrikkelijk veel verdriet van hebben als hij hoorde wat er eigenlijk is gebeurd. En jouw geweten kan toch ook gerust zijn. Je hebt het mij verteld, niet waar? en je wist toch ook niet vooruit hoe dat zou aflopen. Ik zou het best dadelijk aan vader kunnen oververtellen.

Maar dat doet u toch niet? vroeg ik, angstig. Neen, ik zeg immers juist, dat we hem moeten sparen. Geef me nu maar een zoen en dan is aKes voorbij.

Moet je je schouders naar achteren trekken, net ais vader doet — zó — ik probeerde moeder's schouders ook zo te krijgen.

Ja zo doet hij, Lachte ze en op eens werden hnar o^en heel groot en donker.

Lien, zei ze, ik geloof, dat wij hier in huis den lieisten vader hebben, die op de hele wereld kan bestaan.

En dat was ik dadelijk met haar eens!

NAJAAR De bomen hebben lange weken Hun groene jurken aangehad,

Nu langzaam is die tijd verstreken:

Ze werden geel en goud van blad.

Nog stond de zon zo fijn te schijnen,

En toen opeens kwam boze mist,

't Zonnetje moest gauw ervoor verdwijnen,

't Werd koud en nattig, vóór je 't wist.

De wind giert hard met ruwe vlagen,

De kachel daalt van zolder neer,

Je hoeft niet langer meer te vragen:

Die wilde herfst, die is er weer.

NAN JANSEN.

I-A, I-A, EN KA» KA

Wat ik je nu vertellen ga, is waar gebeurd, hoor! 't Was schemerdonker. „Daar heb je 't warempel al weer," zei vrouw Peters. „Anders hoor je geen geluid meer van 'm, als ie 's avonds op stal staat, en, nou balkt ie de hele tijd. 'k Ben er toch niet gerust op, zou je niet es gaan kijken Gerrit-Jan, of 'm wat scheelt!" „Och," zei boer Peters, en hij trok nog eens kalm aan zijn pijpje, „hij hoort zeker een andeie ezel in de verte, daar houdt ie een praatje mee, of hij droomt hardop. „ Maar als moeder de vrouw ongerust is, dan moet het maar wezen. En stijf van 't werken de hele dag stond Gerrit-Jan langzaam op en slofte met een brandende lantaarn naar de stal, want daar was vroeg donker. De boerin liep achter hem aan.

In de stal ja daar stond Grauwtje ongeduldig te trappelen en te krabben in zijn stroo. Soms hield hij even op, draaide onrustig zijn kop naar de kant van de staldeur, spitste de oren en luisterde...