is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1105, 11-11-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VORIGE: Clara Boltwood uit de grote Amerikaanse stad New York onderneemt met haar vader, een rijk zakenman, die overwerkt is, een autotocht naar de westkust van de Verenigde Staten van Amerika naar de stad Seattle, Waar de Boltwoods familie hebben. Deze tocht zal weken duren, maar Clara chauffeert goed en hoopt op die manier haar vader te genezen. Bij het plaatsje Schönstrom (zie boven) krijgt Clara moeilijkheden, waaruit een jonge man, ■Zekere Milt Dagget, in een onogelijk auto'tje haar redt. Zij komen nu in een volgend stadje, Ui. Gopher Prairie aan, waar men hen in het logement heel familiaar behandelt. Milt Dagget gaat hen achterna.

XIV.

Alles en alles, bestond zijn bagage uit 4 paar sokken van geel en wit gestreept katoen, twee extra hemden, vijf boorden, zes zakdoeken, een paar bijzonder mooie, chique dansschoenen, een paar hoge rijglaarzen, drie stel goedkope katoenen onderkleding, zijn Zondagse pak, slecht van snit en vervelend zwart van kleur, vier dassen, een tandenborstel, een kam en borstel, een scheermes met scheerriem en scheerzeep in een doos, een niet al te schone handdoek en verder helemaal niets. Bij al die spullen pakte hij nog zijn hele bibliotheek en zijn schilderijen-kabinet — als boeken: Ivanhoe, Ben Hur, een exemplaar van Byron's gedichten, dat hij nog van zijn vader gekregen had, een handleiding voor draadloze telegrafie en 't handboek van 1916 over Motoren, hun constructie en reparatie, — als kunstcollectie: een gekleurde litho van een prinses in een slottuin in Provence, en een afbeelding van Colonel Paul Beek bij een landing in zijn militaire tweedekker, uit de eerste tijd der vliegmachine. En onder die plaat had Milt heel vroeger met potlood, nu helemaal verbleekt, gekrabbeld: „zo zal ik er als vlieger uitzien."

Het moeilijkste vraagstuk was: Wat moest hij aantrekken. Tot heden, 11 minuten over twaalven was 't hem absoluut onverschil

lig geweest Hij kwam bij iedereen in zijn

overall en iedereen vond dat best, behalve als hij ging dansen en dan was Milt de enige, die lage dansschoenen droeg. Maar toen hij Clara Boltwood zag en haar kleding, toen begreep hij voor 't eerst van zijn leven, dat „zich kleden" een kunst op zich zelf was.

Voor hij 't ding inpakte, viel zijn oog, ongelukkig genoeg, nog eens op zijn nooit volprezen zwarte pak! Hij vond 't eenvoudig idioot, ,,'t Lijkt wel voor een aanspreker,'

bromde hij in zich zelf. Met een schouderophalen, omdat hij niet veel anders had, verwisselde hij zijn overall voor een khaki flanellen hemd, een zwarte zelfstrikker, stevige varkensleren schoenen en hij trok zijn pak van de vorige avond aan, zijn beste plunje van twee jaar geleden, een ruim gesneden jas en dito pantalon met blauwe serge. Dat dit blauwe pak hem bijzonder goed stond met zijn brede, krachtige figuur, besefte hij absoluut niet.

Hij stak een bundeltje rekeningen in zijn zak en zijn trouw, puik-lopend, gouden horloge. Voor de kou had hij een dikke, grote winterjas, een hoog aansluitende trui, van een paar modes geleden en een regenjas, zwaar als waterdicht zeildoek.

Hij dook in zijn wijde regenjas, liep naar buiten en in galop ging 't naar de winkel van Rauskukle.

Daar kocht hij een pet, van de meest opzichtige kleurcombinatie, een zwaar kleurig gestreepte plaid, rood en oranje en groen en blauw, en nog wel vijf andere absoluut gegarandeerde modekleuren en een lading blikjes en alle provisie die nodig was voor kamperen.

Het achterstuk van zijn wagen had een hoop ruimte en dus stopte hij er van alles in; onderdelen van de motor, een revolver, patronen, een paar schaatsen en alle kampeergerei dat hij gewoon was mee te nemen, als hij op de eenden jacht ging.

„Ik lijk wel gek, dat ik al mijn „hebben en houden" mee neem, maar misschien blijf ik wel een hele maand weg!"

Eén ding bleef hem nog over: zijn cheque-boekje, dat hij als schuilplaats voor de te nieuwsgierige ogen van zijn huisjuffrouw, onder de traploper had gestopt. Dat haalde hij voor de dag. Zijn crediet was tweehonderd dollars.

In de garage, in het kasregister, waren voor Ben Sittka nog tien dollars. En zijn vermogen bestond verder uit de garage. Die was altijd, als de hypotheek was afgelost, nog dik tweeduizend dollars waard. Dat was zijn hele fortuin.

Hij stormde de keuken binnen en riep tegen de juffrouw: „moet de stad uit, op reis, ik heb, geloof ik, niets meer te betalen hier heb je in elk geval zes dollars voor 2 weken opzegging van de huur; ik kan onmogelijk zeggen wanneer ik terugkom."

Voor zij een begin aan een serie vragen kon gaan maken, was Milt al weer weg en in zijn wagen.

Hij smeerde 'm zo hard hij kon, 't stadje door.

En hij schreeuwde tegen zijn vriend Mac Golwey, die katterig en wel in de regen op een hoop touw zat, achter 't stationsemplacement: „De groeten, Mac! Houd je maar goed, kerel. 'tGa voor een tijd op reis."

Vóór 'thuis van den professer stopte hij even, toeterde totdat hij de hoofden van de Jones' voor 'traam zag en riep: „bonjour allemaal! Ik ga de stad uit."

En zo stormde hij, terwijl de heerlijke gulden vrijheid en de zee in al zijn verre verte hem tegemoet schenen te komen van voren over de motorkap, het stadje uit. Het was twee minuten voor één, juist 47 minuten nadat Clara Boltwood Schönstrom was binnengereden.

Eenmaal echter stopte hij even. Juist aan de zelfkant van het stadje zag hij zijn vriendin Lady Vere de Vere op een wetenschappelijke, ethnologische onderzoekingstocht, hoofdzakelijk veldmuizen betreffende. Zij zag hem en riep zachtjes: miauw, miauw! „Nee maar!" riep Milt verbaasd uit.

„Heb ik beloofd je mee te nemen? Ja! dan maakt belofte schuld!" Hij sprong uit zijn wagen en zet Vere de Vere naast zich op de voorzitting, terwijl hij haar voor de regen toedekte met de radiatorhoes.

En met zijn wagentje, dat over alle kuilen en sporen heensprong. haalde hij binnen t uur de Deperdussin, die zich door de modder en 's slik worstelde en wurmde, in en trok hem uit de kuil en de dikke modderbrei.

Vóór dat Milt die nacht, terwijl hij drie mijl buiten Gopher Prairie kampeerde, ging slapen, zat hij ernstig na te denken.

„Voor zo'n bliksems knap meisje ben ik eigenlijk helemaal niets. Toen ik nog op studie was, lette ik vrij wat meer op mijn kleren. Ik ben onverschillig geworden. Zoiets als Mac. Eigenlijk een schandaal, dat ik vannacht met mijn kleren aan heb geslapen."

Purr-Purr!" klonk 'tuit de poesemond als antwoord. „Absoluut gelijk heb je, poesekind! Oppassen is de boodschap. Nooit meer naar bed gaan zonder eerst mijn kleren uit te trekken. Natuurlijk! als ik in een heus bed slaap. Nu is 't wat anders, met kamperen. Maar toch, laat me eens kijken wat ik aan me kan opknappen."

Hij begon zich te scheren, eerst één keer en toen nog eens na-scheren. De hele gamma, van zeep tot handdoek. Toen borstelde hij heel zorgvuldig zijn haar. En bij zijn kampvuur zittend, beschut door een overhangende rots, begon hij een heroïsche strijd met zijn nagels, die vol waren met olie en vet. Gedurende heel die pijnlijke operatie converseerde hij met zijn poes en toen hij klaar was en 'tvuur bijna uitgebrand en Vere de Vere te slapen lag in de mouw van zijn ulster, klonk zijn stem steeds zachter en zachter, en 't was als in een zelfmarteling dat hij tot slot zeide: „maar waar doe ik eigenlijk al die moeite voor, ik ben en blijf toch maar een groot uilskuiken. Idioot die ik ben; ik probeer mijn nagels mooi te maken om een goed figuur te slaan tegenover een meisje, dat zulke prachthanden heeft."

(Wordt vervolgd).