is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1106, 18-11-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dwerg (met woedende gebaren):

„Kon je dat niet beter doen?

Mijn mooie baard is uit zijn fatsoen!!!

Alle haren zijn er uit!

Lelijkeui! Kwaje schavuit!"

(Weer raapt hij vliegensvlug een zakje met edelstenen op, maakt een paar wanhopige grimassen over zijn gehavend uiterlijk, trekt een lelijk gezicht tegen de kinderen en verdwijnt.)

Sneeuwwitje en Rozerood:

„Dat was dezelfde dwerg van laatst En weer heeft hij zo'n grote haast!

Zeker heeft-ie weer schatten gestolen Om te verstoppen in gaten en holen."

Zij lopen langs de aangeduide beek met hun hengel af. Na enige tijd komt van links achter, de Beer op, blijft op de achtergrond, kijkt speurend naar links en naar rechts, brommend, later klagend: _

De Beer:

„Deze zomer is 't heel erg

Alles steelt die boze dwerg!

Alles sleept hij naar zijn ho'en

En ik moet als „beer" ronddolen.

Wie kan mij mijn gedaante weer geven?

Niemand — zolang die dwerg blijft leven

Daarom vervolg 'k hem van uur tot uur,

Zolang hij leeft heb ik rust noch duur!" (Af.)

Het eekhorentje (komt aangesprongen met noten):

„Daar woont een boze dwerg in 'tbos!

Die scheldt en schimpt er maar op los.

Mijn lief Sneeuwwitje en Rozerood Die redden hem haast van de dood.

Als dank ging hij verwoed te keer!

Ik hielp die schreeuwlelijk niet meer!"

(Klimt in zijn boom.) (De dwerg komt oprennen, dodelijk verschrikt, met armen en benen zwaaiend, hij heeft een heleboel zakken en verliest er een paar onder 't lopen).

Dwerg:

„O wee! de beer is mij op 't spoor!" (Af.)

Eekhorentje (roept hem uit zijn boom na):

„Ik hoop, dat hij je gauw vangt, hoor!"

De Beer (komt hijgend op, raapt een zak op en kijkt er in): „Wat ligt daar? Zakken vol met goud Hier zo maar midden in het woud?

Ik zag die dwerg zo even lopen,

Wacht maar, dat zal je duur bekopen!"

Eekhorentje (roept tegen den beer, wijzend):

„Die kant is hij net uitgegaan."

(Wordt voortgezet).

BIJBLAD VAN „DE PROLETARISCHE VROUW" VAN 18 NOVEMBER 1936. No. 1103 ZEVEN EN TWINT. JAARGANG No. 987 VAN „ONS KINDERBLAADJE". VERSCHIJNT ELKE WOENSDAG. REDACTIE-ADRES: WALDECK PYRMONTLAAN 11, AMSTERDAM

SNEEUWWITJE EN ROZEROOD Een sprookje van Grimm

(Vervolg)

Moeder (komt buiten, de kinderen geven haar elk een roos):

Dank je wel, dank je wel!

Kinderen, ga nu snel Naar het bos en sprokkelhout,

Want in huis is 't nog wat koud."

(Moeder af in 't huisje.)

Seeuwwitje en Rozerood gaan op weg, eerst langs het raam, het Duifje roept er door:

„Roekoe, roekoe!

Waar ga je naar toe? —"

Sneeuwwitje en Rozerood:

„We gaan naar 't bosch en halen hout

Want in huis is 't nog wat koud."

(Ze loopen nu om de boom van 't eekhorentje heen.)

Eekhorentje (dat al een tijd heen en weer gehipt heeft): „Dag Sneeuwwitje en Rozerood!

Wil je'een lekkere hazelnoot?"

(buigt naar haar over.)

Sneeuwwitje en Rozerood (nemen de noten aan):

„Dank je wel eenhorentje!

Wat doe je in je torentje?"

Eenkhor entje:

„Ik knabbel en ik knaag."

Sneeuwwitje en Rozerood:

„Kom eens naar omlaag!"

Eekhorentje:

„Nee, nee, ik heb geen tijd vandaag 'k Moet vlug nog naar de beukenhaag!"

(Glijdt naar beneden en trippelt haastig af.)

(Ondertussen is rechts op de achtergrond een dwerg opgekomen die onder de zonderlingste grimassen heen en weer springt en met een bijltje hakbewegingen maakt.)