is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1172, 02-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn twijgen kleurden zacht geel.

„Waar bloeit ze?" vroeg Tik-a-to. „Langs de dijken waar mijn broeders staan." „Waar zijn de dijken, Wilg?" „Volg je neus Tik-a-to en je komt er" zei de Wilg, en zijn stem leek muziek.

„Zingt u?" vroeg het mannetje. „We krijgen zilveren knoppen, Tik-a-to, zie je dat niet," ruizelden de twijgen.

„Van wie krijg je die?" „Van de lieve zon Tik-a-to." „En je hebt nog niet eens een kleed, wat moet je dan met de knoppen doen?" „Ga naar de dijken," sprak Sprieteltor, die gevolgd was.

„Ah, daar heb je het mannetje Tik-a-to", suisde de wind, die door de gele twijgen streek. „Ik heb je in lang niet gezien; hoe maak je het?" „Dank u, uitstekend. Hebt u haar gezien?" „Maar natuurlijk, bij de dijken immers." „Is het ver Wind?" „Waar de sloten blinken Tik-a-to." „Hoe kom ik daar?"

„Volg je neus Tik-a-to, en je zult ze zien." Meteen huppelde de Wind verder, van de gele wilgentwijgen naar de donkere eik en van daar naar de es met de dikke, zwarte knoppen.

Tik-a-to volgde zijn neus en struikelde haast over het roodborstje, dat een liedje tinkelde. „Ah, bent u het", zei het vogeltje, „blij u te zien. Of ik honger heb? Och, dat gaat nog al. 't Is erger geweest een maandje geleden. Verschrikkelijk warm, vind u niet? U gaat haar zeker bezoeken? Bij de broeders van de wilg moet u zijn, waar de dijken groen worden en de sloten blinken."

„Ik weet het schoon vogeltje, maar hoe zal ik de sloten vinden. Ik heb zo lang in mijn bloempot gezeten, dat ik haast geen weg meer weet in de tuin van koning Koromandel." „Volg me Tik-a-to, ik zal er je brengen."

„Hoe zal ik je volgen in je vlucht. Je vliegt nu hoog, dan laag, dan rechts, dan links. Je bent zo vlug en ongedurig." „Het komt door haar Tik-a-to; ik kan het niet helpen." „Ah ja, ik begrijp het. Ik zelf ben ook helemaal overstuur."

„Overstuur, tureluur, tikke-takke-tralalala", floot het vogeltje,

„Ga nu", maande Sprieteltor, „ze wacht je." „Kom" lokte het vogeltj e.

Het mannetje Tik-a-to spreidde zijn baard breed uit en zweefde achter het vogeltje aan.

„Zie", gromde de donkere eik, „daar gaat hij." „Hij is op de goede weg broeder", antwoordde de es met de dikke, zwarte knoppen.

„Halt" fluisterde de Regenboog, „waar gaat dat heen?" „Naar de eerste voorjaarsbloem", antwoordde Tik-a-to. „Wat ben je mooi boog" ging hij in één adem door, en hij wilde onder de boog doorglijden, maar het roodborstje zat er reeds bovenop te kwinkeleren.

„Rust even", stelde de Regenboog voor, „je zult wel moe zijn Tik-a-to." „Van wie heb je die schitterende kleuren?" vroeg Tik-a-to. „Van Koromandel natuurlijk. Ze is geel, weet je dat?" „Wie bedoel je"? „Die je wilt bezoeken." „Ah juist, zij, die bij de blinkende sloten bloeit."

„Rrrrrrrt rrrrrrt rrrrrrt!" deed de Hagel die de Regenboog wegratelde, „rrrrrt! rrrrrt! rrrrrt! wat moet dat hier Tik-a-to!?"

„Vlug!" tinkelde het roodborstje, „volg me!" Vlak onder de weghagelende regenboog stond de oude, kromme Wilg. Die deed zijn deurtje open en nodigde de twee bezoekers binnen. „Brrrr!" zei hij, „wat een weer en wat een eer jullie te mogen ontvangen. Heb je last van de tocht, zeg het dan, ik wil de ramen wel sluiten."

„Asjeblieft niet", antwoordde Tik-a-to, en het roodborstje zei deftig en tegelijkertijd een beetje ondeugend, „mag ik u voorstellen, het mannetje Tik-a-to." „Aangenaam", bromde de Wilg, die meende, dat hij ook voornaam moest doen. „Bent u zijn broeder?" vroeg Tik-a-to.

„Van hem, die in de tuin van " „Koromandel staat", tinkelde het

roodborstje, die nooit zijn tijd afwachten kon.

„Die ben ik, mijne heren." „Pardon", tjilpte het vogeltje, „ik ben een dame; mijn man is op verkenning uit." „Denkt u spoedig te vertrekken?" „Misschien wel, misschien niet, tiereliereliet."

„Doe je deurtje maar open", kittelde een Zonnestraal, „de hagelbui is overgedreven."

„Waar bloeit ze?" vroeg Tik-a-to. „Aan mijn voet, mijn vriend." Het roodborstje zat op een dunne twijg te kwihkeleren. Het was een nieuw liedje.

Tik-a-to trad naar buiten.

„Hierheen!" wees Sprieteltor, die op de een of andere manier meegekomen was, „om dit polletje ruigte heen, asjeblieft."

„Tik-a-to bekeek het ruige bosje. „Ken je me nog?" vroeg het. „Niet dat ik weet." „Ach, ben ik dan zo verouderd?" „Dat zou ik niet durven zeggen", antwoordde Tik-a-to beleefd, „maar wel veranderd."

„Wacht tot ik bloeien ga. Je komt nu zeker voor haar, die gisteren haar hoofdje opgestoken heeft?" „Juist schone dame; waar is ze?" „Hier!" zei Sprieteltor, die het mannetje Tik-a-to bij de hand nam en hem naar het bloeiende Klein Hoefblad voerde.

„O", zuchtte Tik-a-to, „hoe schoon." „Vind je niet?" vroeg Sprieteltor verrukt. „Ze was de eerste, die het aandurfde", zei Wolletje, het lammetje, dat aan de overkant van het slootje tegen zijn ruige moeder aankroop.

„Hoe vind je me?" vroeg het bloempje, dat zijn lintjes uitspreidde.