is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1178, 13-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

ONS KINDERBLAADJE

deur. Hij vloog haar achterna zo snel hij kon en raakte met de rode bloem de heks en 't kooitje aan.

Toen was haar tovermacht gebroken en daar stond Jorinde. Ze sloeg haar armen om zijn hals, ze was nog even mooi als vroeger.

Ze waren samen nog nooit zó blij geweest!

Muziek *** 3)

Ze gingen samen vrolijk nu naar huis. — Joringel had eerst alle vogels vrijgelaten — en samen leefden ze lang en gelukkig.

Bewerkt naar Grimm door A. WILLINGE PRINS.

De sterretjes * * * bedoelen, dat een kind, verborgen achter het toneel, op een blokfluit een liedje speelt, of een groot kind op de mandoline of de piano.

*) Een treurig liedje met veel kleine uithalen, alsof het een vogelliedje is.

* *) Een heel somber liedje, bijna als bij een begrafenis.

* * *) Een juichend, vrolijk liedje.

Majjo waeaideai aai de Sclheveaaaaigse bosjes

Er is voor mij geen groter plezier, dan het verzorgen van dieren. Elke morgen kom ik in de Nieuwe Scheveningse Bosjes bij de Badhuisweg, mooi of geen mooi weer, ik ben bij mijn vogeltjes in 't bos en zij weten dat zo goed, dat zal ik jelui eens vertellen.

Wanneer ik zo om een uur of tien en 's middags om twee uur in de bosjes kom, spelen de vogeltjes wegkruipertje. Nauwelijks begin ik te fluiten, of de vogels, die al lang weten, wie er is, komen van alle kanten aangevlogen en zitten op mijn schouders, armen en handen, alsof zij zeggen willen, ziezo vriend, hier zijn wij weer en hoe gaat het met je. Ten teken, dat alles goed is, open ik mijn handen en kool- en pimpelmezen zien al direct, dat daar de heerlijke versnapering in ligt, wat zij zo lekker vinden. Wanneer ik nu wat verder wandel, vliegen de vogels mij achterna en wie zitten daar op de takken al te wachten op mij? Het zijn die mooie, zwarte vogels met gele snavels, jelui weten nu al direct, welke vogel dat is. De merels, 't roodborstje, zij weten het allen, hun vriend maakt altijd wat pinda's fijn en doet het in een holletje van een boomstam. Terwijl ik dat doe, zitten zij vlak bij mij en ieder op zijn beurt vult er zijn maagje mee. Zo heb ik vijf plaatsen in 't bos, waar de vogeltjes ai zitten te wachten op mij. Eigenaardig is het, dat de pimpelmees en de vink de pinda's met hun snavel opvangen, wanneer ik hun die toewerp. Ook is het leuk om te zien, hoe ik de kinderen leer, de vogeltjes van hun hand te laten eten. Woensdags- of Zaterdagsmiddags heb ik steeds veel jongens en meisjes bij mij en zij vonden het leuk, als zij dit ook eens mochten doen. En willen jelui dit voeren nu ook eens doen, probeert het dan maar eens. Je handje met wat pinda's er op, recht vooruit steken, maar vooral erg stil houden. Lukt het de eerste keer niet, dan de andere middag en als jelui dat geregeld doen, wordt het een heel prettig werkje, je krijgt er zo'n plezier in en de vogeltjes gaan jelui beschouwen als hun vriendje.

G. WILSCHUT.

(Uit „De kleine Androcles".)

1938. No. 1179

BIJBLAD VAN „DE PROLETARISCHE VROUW"

ACHT EN TWINT JAARGANG No. 1059 VAN „ONS KINDERBLAADJE". VERSCHIJNT

fcLiYfc VVUEIMSJUAl*. KbD.-ADKES: FRANS V. MIERISSTR. 108 BOVEN, AMSTERDAM.

'k Kom uit een blank gekoepeld huis,

toen ik eruit liep, viel 't in gruis —

nu trip ik rond in tuin en wei,

en bijna ieder houdt van mij.

Ik ben in doddig donsfluweel,

en van het allerfijnste geel,

maar eens draag ik een koningsjas,

glinst'rend in zon als kleurig glas!

MARIE ROETMAN.