is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1187, 15-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten we aan de achterkant naar binnen gaan, dat is veel veiliger". „Och bangerd", mopperde Eigenwijs, „nee, hoor Dikzak, wij gaan hierdoor, dan zijn wij er veel vlugger". Piepjong was al naar de achterkant van de boerderij gelopen. Als Eigenwijs dan niet luisteren wilde, moest hij het zelf maar weten. Piepjong gluurde door een smal spleetje'naar binnen. Daar was de schuur. Er was niemand in en heel voorzichtig glipte hij naar binnen. In een hoek van de schuur was een trap, die naar de zolder leidde. Rits! vloog hij naar boven. Met zijn scherpe oogjes keek hij overal rond. Mensen zag hij niet en ook geen katten, maar daar hing een heerlijk stuk spek. Eigenwijs en Dikzak waren er nog niet en Piepjong dacht, dat hij wel vast kon beginnen. Hij had grote trek in een stukje spek en de twee anderen zouden wel dadelijk komen. Hij smulde en smulde tot zijn buikje dik en rond was. Maar eindelijk werd hij toch een beetje ongerust. „Waar zouden Eigenwijs en Dikzak toch zitten?" dacht hij. Juist besloot hij maar eens op onderzoek uit te gaan, toen Eigenwijs in wilde angstige vaart de zolder op kwam rennen. „Wat is er en waar is Dikzak?" vroeg hij verschrikt. Eigenwijs kon bijna niet antwoorden, zo trilde hij. Maar eindelijk zei hij: „Ik geloof, dat Dikzak door de kat is opgegeten", ,,'t Is toch niet waar!" riep Piepjong verschrikt. „Ik weet het niet zeker", huilde Eigenwijs en toen vertelde hij: „We durfden niet goed naar binnen te gaan, want de boerin was in de kamer. We zaten voor een klein gaatje in de muur en wachtten maar. Maar ze ging niet weg en eindelijk besloten we het toch maar te wagen. We kwamen voorzichtig te voorschijn en renden door de kamer naar de gang. Maar èèn van die valse katten zag ons en vloog ons dadelijk achterna. Ze had natuurlijk al die tijd dicht bij ons holletje op de loer gelegen, maar wij hadden haar niet gezien. Mij kon ze niet te pakken krijgen, maar Dikzak kon niet zo hard lopen. „O, wat moet ik beginnen, als hij hem opgegeten heeft!" huilde Eigenwijs weer. „En 't is allemaal mijn schuld!"

Verslagen zaten de twee muisjes bij elkaar. Aan het lekkere spek werd niet meer gedacht. „Ik ga eens beneden kijken", 3ei Piepjong eindelijk. „Ik ook", zei Eigenwijs. „Nee, laat mij nu maar alleen gaan; ik kan het zo zachtjes, dat niemand mij hoort". Eigenwijs gaf toe en bleef alleen boven, terwijl Piepjong op onderzoek uittoog. Behoedzaam gleed hij de trap af. Er was niemand meer in de kamer. Ook de poes niet, die lag buiten in de zon te slapen. Heel zachtjes zei Piepjong: „Piep!"

„Piep!" klonk het uit de andere hoek van de kamer. Dat was Dikzak.

„Waar ben je?" vroeg Piepjong zachtjes. „In de kast", antwoordde Dikzak. „Ik kan er niet uit. Die lelijke kat had mij bijna te pakken. Maar gelukkig kon ik net nog door een kiertje van de kastdeur naar binnen glippen, juist toen de boerin de deur dichtdeed".

Wat was Piepjong blij, dat Dikzak niet door de kat opgegeten was. Hij zocht, of hij een gaatje kon ontdekken, waar Dikzak door naar buiten kon komen. Maar er was slechts een heel klein openingetje, waar Dikzak onmogelijk door kon.

Piepjong rende naar boven om Eigenwijs te halen. „Kom gauw mee!" riep hij. „Dikzak leeft, maar hij zit in de kast opgesloten. Nu moeten we een gaatje knagen, waar hij door kan en dan is hij gered".

Eigenwijs buitelde haastig de trap af van blijdschap. Wat werkte hij om het gaatje groter te maken. Dikzak knaagde aan de binnenkant van de deur en Piepjong lette goed op, of er niemand aankwam. Maar

gelukkig kwam er niemand binnen en beide poezen lagen rustig buiten.

Eindelijk kon Dikzak zich door het gaatje wringen. Gelukkig, hij was v/eer vrij. Wat had hij een angst gehad. Hij nam zich voor in het vervolg altijd naar de verstandige Piepjong te luisteren en niet naar Eigenwijs. Het lekkere spek waren ze helemaal vergeten. Ze waren blij, dat Piepjong hen weer veilig door een gaatje achter in de schuurdeur buiten bracht. Ze renden naar huis. En voortaan werd Piepjong altijd eerst geraadpleegd, zelfs door Eigenwijs, want die was door dit gevaarlijke avontuur veel verstandiger geworden.

JO VAN KAMPEN.

Sd

MORGENLIEDJE.

Eer 's morgens de dag aan de hemel prijkt,

De zon door m'n raampje naar binnen kijkt,

Dan wekt mij het haantje: naar buiten, terstond! De morgen, de morgen heeft goud in de mond.

Dan klinkt als een liedje van lof en van dank, Uit duizendé keeltjes de morgenzang.

Het juicht en het jubelt verblijd in het rond:

De morgen, de morgen heeft goud in de mond.

En als dan de zon uit de kimme schiet,

En 't lachende licht in het lover giet,

Dan fonk'len er paarlen in 't kruid op de grond. De morgen, de morgen heeft goud in de mond.

G. W. LOVENDAAL.

Over oren en staarten

Dat onze oren aan weerskanten op zij van ons hoofd zitten, ja, dat weten we allemaal. Ook weten we, dat dit met de meeste dieren het geval is. Maar weten jullie, waar de oren van de sprinkhaan zich bevinden? Niet aan of op z'n kop, zoals je zoudt denken, maar onder zijn vleugels! De oren van een krekel bevinden zich in de buiging van zijn voorpoten; hij heeft ze dus als 't ware in z'n ellebogen. De oren van een kat zijn naar voren gekeerd en van een konijn naar achteren. Waarom zou dat zijn, denk je? Konijnen en herten hebben naar achterwaarts gekeerde oren, omdat zij nooit andere dieren kwaad doen, terwijl er dikwijls door allerlei dieren jacht op hen gemaakt wordt. Met hun achterwaarts gekeerde oren kunnen zij alles, wat hen vervolgt, horen. Wolven, katten, tijgers zijn roofdieren. Zij hebben naar voren gekeerde oren om ieder dier, dat hen vooruit is, en dat een goed maal voor hen kan zijn, te kunnen horen.

Over staarten zijn allerlei aardige bijzonderheden te vertellen. Sommige dieren schijnen alleen staarten te hebben om er mee op de grond te slaan of te kloppen, terwijl anderen, zoals de hond, door te kwispelstaarten of hem te laten hangen er als 't ware mee spreken