is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1201, 21-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 46.

De kleine boom, die zo persoonlijk en vriendschappelijk geleken had, was niet langer een troost en werd een deel van het hele levende bos, in zichzelf verdiept en koel op haar neerziend, deze indringster van dat boosaardige ras, dat dat gerommel op de aarde veroorzaakte.

Nollie maakte haar armen los en* week terug. Een tak krabde haar hals, een paar bladeren vlogen haar tegen de ogen; ze ging opzij, struikelde over een wortel en viel. Een tak had haar ook getroffen en ze bleef suf liggen, bevend door die onvriendelijke behandeling in de duisternis, Ze hield de handen voor haar gezicht, alleen om het genot, iets minder donkers te zien.

Het was kinderachtig en dwaas, maar ze was bang.

Het bos scheen zoveel ogen, zoveel armen te hebben, en alle onvriendelijk; het scheen er op te wachten, haar nog meer klappen te geven, nog meer te doen vallen en haar In zijn duisternis te willen houden, tot !

Ze stond op, deed een paar stappen en stond stil, ze was vergeten, van welke kant ze er in was gekomen. En bang, om dieper in het onvriendelijke bos te gaan, draaide ze zich langzaam om, trachten uit te maken, welke weg ze nemen moest.

Het was helemaal een donker, loerend beest, met ledematen op de grond en in de lucht. „Elke weg", dacht ze, „natuurlijk zal elke weg me er uit brengen!"

En ze tastte vooruit, haar handen ophoudend, om haar gezicht te beschermen. Het was dwaas, maar ze kon het moedeloze, verschrikte gevoel niet weren, dat iemand overkomt, die in een bos of in een mist verdwaald is.

Als he bos niet zo donker, zo — levend, geweest was!

En een ogenblik had ze de onzinnige, vreselijke gedachte van een kind: „Als ik er eens nooit uit kom!" Toen lachte ze er om. en stond weer luisterend stil. Er was geen geluid om haar te leiden, in het geheel geen geluid, behalve het zwakke, doffe gedreun, dat nu van elke kant scheen te komen. En de bomen keken naar haar.

„Hu!" dacht ze, „ik heb het land aan dit bos!"

Ze zag het nu, zijn slangachtige takken, zijn duisternis, zijn grote figuren, als een verblijfplaats van reuzen en heksen.. Ze tastte en struikelde weer vooruit, viel weer, en bezeerde haar hoofd aan een boomstam. De slag deed haar duizelen en deed haar meteen weer nuchter denken.

„Het is idioot," dacht ze, „ik ben een klein

kind! Ik zal maar heel langzaam gaan, tot ik aan de rand kom. Ik weet, dat het geen groot bos is!" Ze keerde zich bedachtzaam naar elke richting, koos die uit, vanwaar het gebrom der kanonnen scheen te komen, en begon weer te lopen, heel langzaam, met de hrnden vooruit. Aan haar voeten ritzelde iets. vlak bij; ze zag een paar groene ogen glinsteren. Het hart klopte haar in de keel. Het dier sprong — toen kwam er een gekraak van takjes en twijgen — en daarop was alles weer stil. Nollie drukte de handen tegen de borst

„Een kat, die op roof uit is." En weer ging ze verder. Maar ze had de richting verloren. „Ik loop in een kring rond," dacht ze, „dat doet men altijd." En weer kwam dat wanhopige gevoel van de verdwaalden in een bos over haar. „Zal ik roepen?" dacht ze, „ik moet dicht bij de weg zijn. Maar het is zo kinderachtig."

Ze ging opnieuw voort. Haar voet raakte iets zachts aan. Een stem uitte een zware vloek; een hand greep om haar enkel. Ze sprong én trok en wrong hem los, en, totaal op van de zenuwen, schreeuwde ze en rende blindelings vooruit. ^

HOOFDSTUK V.

Niemand kon zozeer overtuigd zijn als Jimmy Fort van het feit, dat hij voor Nollie „een soort uitkomst" zou zijn. Hij had de weken na het onderhoud met haar vader doorgebracht, geheel vervuld van haar beeld, en dikwijls tegen zichzelf gezegd: „Het zal niet gaan, het is te laag om te speculeren op het feit, dat ze me nemen zou om haar moeilijkheden. Ik weet dat ik anders geen kans zou hebben."

Hij, had nooit veel idee gehad van zijn uiterlijk, maar nu scheen hij zichzelf gek oud en verdroogd toe in die Londense woestijn. Hij had het land aan de betrekking aan het ministerie, die ze hem gegeven hadden, de gehele atmosfeer van ambtenaarsstelsel nog een jaar, en hij zou verschrompelen als een oude appel!

Hij begon zich nu bezorgd te bekijken, al zijn lichamelijke bezittingen opsommende, nu hij deze droom had van jonge schoonheid.

De volgende maand zou hij veertig zijn, en zij was negentien!

Maar er waren ook tijden dat hij zich in staat voelde met haar, zo vurig als een veulen te zijn, zoals de jongen dien ze liefgehad had.

Daar hij weinig hoop had, haar te winnen, nam hij haar „verleden" maar licht op. Was het niet dat verleden, dat hem de

kans gaf, die hij had? Twee dingen had hij vast besloten:

Hij wou geen misbruik maken van haar verleden, en als ze hem bij geluk mocht nemen, zou hij haar nooit tonen, dat hij het zich herinnerde.

Nadat hij Gratian geschreven had, had hij de week voor zijn vacantie begon, doorgebracht met pogingen om de jeugdigheid van zijn uiterlijk te vernieuwen, hetgeen hem zich ouder, magerder, benige en bruiner dan ooit deed voelen. Hij stond vroeg op, reed uit in de regen, nam Turkse baden, en alle soorten van lichaamsbeweging; hij rookte en dronk niet, en ging vroeg naar bed, precies of hij zich trainde voor een paarden-wedren.

Op de namiddag toen hij tenslotte die moeilijke pelgrimstocht ging ondernemen, keek hij naar zijn gezicht met een soort van wanhoop; het was zo mager, en leerkleurig en hij telde bijna een dozijn grijze haren!

Toen hij aan de bungalow kwam, en ze hem zeiden, dat ze in het korenveld werkte, had hij voor het eerst een gevoel, of het lot met hem was. Zulk een ontmoeting zou gemakkelijker zijn, dan elke andere!

Hij had haar verscheidene minuten gadegeslagen, voor ze hem zag, en zijn hart sloeg heftiger, dan het ooit geslagen had in de loopgraven; en het nieuwe gevoel van hoop bleef hem bij onder de begroeting, gedurende het hele avondeten en zelfs nadat ze hen verlaten en naar boven gegaan was. En toen verdween die hoop, even plotseling als een uitzicht waarvoor een gordijn wordt neergelaten: en hij bleef zitten, proberend te praten, waarbij hij langzamerhand steeds stiller en rustelozer werd.

„Nollie wordt zo moe van het werken," zei Gratian.

Hij wist dat ze het vriendelijk bedoelde, maar het was verkeerd, dat ze er over begon. Hij stond eindelijk op, toen hij de hoop verloren had, om Nollie weer te zien, zich tegelijk bewust, dat hij de laatste drie vragen op goed geluk beantwoord had.

In de portiek zei George: „Kom je morgen lunchen?"

„O, heel graag, maar ik ben bang, dat het jullie vervelen zal."

„Helemaal niet. Nollie zal dan niet zo moe zijn."

Weer zo goed bedoeld. Ze waren erg vriendelijk. Hij keek op bij het hek, trachtend uit te maken, waar haar venster kon zijn; maar alles was donker. Een klein eindje de weg af, stond hij stil om een sigaret op te seken, en tegen een hek geleund, trók hij de rook diep in zijn longen, trachtend de pijn in zijn hart te doen bedaren.

Dus was het hopeloos! Ze had de eerste, de allereerste kans waargenomen om van hem weg te komen! Ze wist, dat hij haar liefhad, moest het weten, want hij had het nooit uit zijn ogen en stem kunnen verwijderd houden. Als ze ook maar iets voor hem gevoeld had, zou ze hem niet deze eerste avond ontweken hebben.

„Ik zal naar die woestijn teruggaan," dacht hij, „ik ben niet van plan te gaan janken en kruipen. Ik ga terug en zal de tanden op elkaar klemmen; men moet toch een beetje trots hebben.

O, voor den duivel, waarom zit ik zo ge-