is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1208, 09-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS KINDERBLAADJE

Maar eens, 't was toen al November, zei het regentje „tik tik, nu is 'tzomertje ten einde, kijk maar kind'ren hier ben ik."

En de koeken, die ons Rietje pas zo mooi gebakken had, en de bergen, en kastelen werden papjes, week en nat.

Toen zei Rudi, „o, ik weet wat,

Toosjes emmertje is de trom; onze scheppen zijn trompetten, wij zijn muzikanten, kom!"

En zo ging het door de regen,

„rom-bom, bom-bom-, tettre tet!"

Alle mensen moesten lachen, en ons viertal had ook pret.

D. v. K.—B.

1

IE

1.

Os

RAADSELS.

3.

Huhang hmg,

Huhang viel.

Daar kwamen vier harige benen En brachten huhang thuis.

2.

Een huis vol eten,

En de deur vergeten.

Hij komt uit Egypten,

Zijn rok is uit duizend stukken Heeft een beenderig gezicht Heeft een kam en kamt zich niet. 4.

Zomers kijkt me niemand aan. 's Winters heeft mij ieder lief.

BIJBLAD VAN „DE PROLETARISCHE VROUW" VAN 9 NOVEMBER 1938. No. 1208. ACHT EN TWINT. JAARGANG No. 1089 VAN „ONS KINDERBLAADJE". VERSCHIJNT ELKE WOENSDAG. RED.-ADRES: FRANS VAN MIERISSTRAAT 108 1, AMSTERDAM.

Het kinderhuis aan Zee

MET DE KLEINTJES IN HET BOS

Het was Woensdagmiddag; de kinderen hadden geen school. „Wat zullen we doen vanmiddag?" zei Mientje. Ja, wat zouden ze doen. Het was jammer met dit mooie weer thuis te blijven.

„Weet je wat?" zei tante Greet. „Ik ga met de kleintjes naar het bos. We kunnen Liesje best in de trekkar meenemen."

Dat was wat voor Mientje. „Mag ik haar trekken, tante Greet?" vroeg ze dadelijk.

„Ja, hoor," zei tante Greet, „dat vertrouw ik je best toe." En Mientje haalde met een stralend gezichtje vast Liesjes manteltje uit de gang en ze begon haar meteen aan te kleden.

„En, jongens," zei juffrouw Jo tegen Jaap en Henk en de andere oudere kinderen, „zullen wij met z'n allen gaan fietsen? We kunnen een heel eind op het strand fietsen en terug de grote weg door het dorp nemen." Daar hadden ze best zin in en voordat tante Greet de peuters klaar had — Liesje parmantig in de trekkar en Mientje al ongeduldig wachtend — waren de groten met jufrouw Jo al uit het gezicht verdwenen.

Eindelijk kwamen de kleintjes ook klaar. Tante Greet deed bij de een het manteltje wat beter dicht en ze zette bij een ander de muts recht op de krullen en toen gingen ze er van door. Het was nog een heel eindje voor ze er waren. Maar ze konden allemaal best lopen. En toen ze er eenmaal waren, was het zo leuk het geritsel van de afgevallen bladeren te horen, als je daar overheen liep. Ze genoten er van door dat dikke bladentapijt te stappen en de bladeren voor zich uit te schoppen. Mientje zorgde zo lief er voor, dat ze met de kar voor boomstronken en -wortels uitweek en Liesje vond het fijn zo mee te kunnen gaan.

Nadat ze een tijdje gelopen hadden, zei tante Greet: „Als we het bos dieper ingaan en we lopen een paar lanen heel zachtjes door zonder te praten, dan Nee, ik vertel jullie niet wat we dan zullen

zien. Kijk maar goed naar de toppen van de bomen."

Hè, wat waren ze nieuwsgierig, maar tante Greet verklapte niets. Ze liepen nu op hun tenen verder het bos in; ze zeiden geen woord, maar ze tuurden naar elke boomtop.

„O, kijk eens, kijk eens!" riep Marietje. „Uilen!" riep Mien. Wat was dat een verrassing, dat hadden ze helemaal niet verwacht.