is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1210, 23-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tocht van

Uit het

Frans

vertaald

AMBA DIOUF

si

DOOR JÉROME EN JEAN THARAUD

8.

Het vorige: In het Afrikaanse dorp Niömi (Franse kolonie) komt in 1914 net bericht, dat de Blanken onder elkaar oorlog zija gaan voeren. Grote verbazing onder de negers, die in de regentijd de uren met ellenlange gesprekken korten. Samba Diouf vertelt, dat hij een kudde vee van z'n oom heeft geërfd en dat hij deze nu gaat halen. Voor hij vertrekt bezoekt hij Yamina Sedi, het meisje, waarvan hij houdt. Diouf maakt op z'n reis kennis met andere negerstammen.

— Bij de naam van mijn moeder, zei Samba, het is voor mij een geluk, dat de broer van mijn moeder niet bij deze mensen is komen te overlijden, anders zouden ze mijn hele kudde hebben verslonden.

— Behalve de geiten, die zouden ze u hebben nagelaten, verbeterde de koopman.

— En zal hij zo tot ontbinding overgaan? vroeg Samba, terwijl hij op het lijk wees.

— Als de laatste os zal zijn opgegeten, vervolgde Touré, dan wordt hij begraven.

— Hoe is het toch mogelijk! De wereld is groot, mijmerde de zeekoeien-visser. Hij, die alleen zijn eigen land kent, heeft nog niets gezien.

Samba ging nu weer op pad in gezelschap van den koopman, die evenels hij naar het zuiden trok, en voor wien hij een deel van z'n koopwaren op het hoofd droeg. Ze trokken door een bos waarvan de breedgetakte bomen op wel twintig el hoogte een dak boven hen vormden, dat alleen maar wat licht doorliet dat zo groen was als de bladeren.

Onder deze grote woudreuzen stonden nog andere, die kleiner waren, geheel bedekt met de schoonste bloemen. Lianen strengelden er wild door elkaar, ook met bloemen overladen, die een lucht als jasmijn verspreidden. Men zag er geen enkele vogel, men hoorde er geen enkel geluid. Maar de grote oranjekleurige apen, die volgens het zeggen van Touré, zelfs om te drinken nooit de aarde aanraken, kozen hun weg van slingerplant naar slingerplant en ze verlevendigden met hun sprongen en kreten dit woud, dat door zijn eenzaamheid treurig maakte ondanks al die bloemen en geuren.

Daarna kwamen ze door een ander bos, dat op geen enkele wijze geleek op datgene, wat ze zo juist door waren getrokken. Nog rechter dan stenen zuilen, droegen de bomen op haar kruin een pluim van ontzaglijk grote ronde bladeren, en ze waren zo hoog, dat Samba van mening was, dat zijn vriend de jager Demba N'Dour veel moeite zou hebben om van daar een vogel neer te schieten. Zover de blik kon zien.

zag men deze ontzaglijke zuilenrij, alle even recht en op gelijke afstand van elkaar.

Een bos, waarvan alle bomen gelijk

zijn, sprak de visser, ik geloof dat hier de aarde ophoudt!...

Evenwel was er aan het eind van dit bos nog een dorp. De reizigers kwamen daar terzelfdertij d aan als een troep vroüwen, die onder het lopen klaagliederen uitstoten en zich het gezicht openkrabden.

— Lieve hemel, bij de naam van mijn moeder! riep Diouf uit, er is hun zeker een ongeluk overkomen.

— Ik denk het niet, sprak Touré. En ik kan je vertellen, dat die vrouwen schreeuwen en zich het gezicht openkrabben omdat een van hen een kind heeft ter wereld gebracht.

— Wel, wel, zei Samba. Dit is dus geen land waar op de trommel geslagen wordt, als iemand doodgaat, maar waar men huilt, wanneer er een kind ter wereld komt. Die mensen moeten dan wel helemaal gek zijn!

— Iets niet weten is lelijk, maar oordelen zonder zich te laten inlichten, dat is veel erger! sprak de koopman daarop veelbetekenend. Die vrouwen hebben reeds nagedacht over de rampen, die niet eindigen en die het kind zullen wachten dat geboren werd, en nu willen zij de geesten tot medelijden bewegen.

— Ik durf er niet aan te twijfelen, dat gij de waarheid zegt, meende Samba. Het heelal is groter dan onze hoofden en de wijsheid komt nooit in zijn geheel in^hetzelfde huis wonen!

— Ik zeg het u in alle waarachtigheid! antwoordde Touré als braaf Mohammedaan, die hij was, „het heelal is groter dan onze hoofden, maar hoe groot het heelal ook moge zijn, niets blijft onbekend voor God".

De volgende dag, op het uur van zonsondergang, roken Samba Diouf en zijn metgezel in het bos afschuwelijk bedorven lucht, welke hun deed vermoeden, dat ergens een kudde wilde dieren door een ziekte was aangetast en daar was doodgebleven. Terzelf dertij d kwam hun het geluid tegemoet van een levendig tromgeroffel, dat zeker in verband moest staan met de stank. Hoe meer zij de plaats naderden, des te sterker werd ook het geraas en ook de stank. Tenslotte kwamen ze op de open plaats, waar het leven en de ondragelijke lucht vandaan kwam.

Men was daar aan het vieren van een feest ter ere van de waarzegster Ayoen Pene, en het gehele gebied, dat aan haar

macht was onderworpen, gelegen om de hutten, die zij met haar dienaren bewoonde, was aan het zingen, dansen en trommelen. Een beetje in de schaduw van het bos, werden ter ere van de geesten, die de waarzegster behulpzaam waren, ossen, geiten en varkens geslacht, die men van tevoren rijkelijk had vetgemest met palmnoten.

Balkend geloei en dooskreten mengden zich in koor met het geraas van de trommen. Op het plein waren reeds bedorven delen van de dieren op spitse palen gestoken, en een ieder haastte zich stukken hiervan af te scheuren

— Nou, nou, sprak de visser, die mensen hier zijn nog gekker, dan die wij zoeven op onze weg hebben ontmoet! Want gedroogde vis te eten is de gewoonste zaak ter wereld, maar men moet wel een soort van aap zijn, ais men zo maar rottend vlees wil gaan verorberen.

De nacht was inmiddels ingevallen. Het schijnsel van de maan, dat op twintig meter door het groene dak van bladeren en takken heendrong, verlichtte de reusachtige stammen der accacias, broodbomen, ebbenhout- en rozenhoutbomen en Afrikaanse cederbomen. Aan de voet van deze hoge stammen lieten de getrouwen van Ayoen Péne hun rijstpotten koken en braadden er het rottende vlees dat zij van de offerdieren hadden afgerukt; en deze honderden kleine vuurtjes, die flikkerden als nachtlichtjes onder het ontzaglijke bladerengewelf, welke door de schaduwen, afgewisseld door het schijnsel van de maan nog hoger schenen, gaven aan die plek van het woud het aanzien van een soort fantastische tempel.

— Hoe is het toch mogelijk, zei Samba, dat deze mensen een vrouw aanbidden? Als ik dat in mijn dorp vertel, dan zal men mij niet geloven. Wat ons betreft,ons Niominkas, wij offeren aan stenen en heilige bomen, wij erkennen ook de macht van de zon en de maan, maar dat mensen een vrouw kunnen aanbidden en dat die vrouw hun opperhoofd is, dat wil er bij mij niet in.

— Het is waar, wat je zegt, antwoordde Touré. Maar ik geloof maar niet, dat ik me daar nog druk om maak. Ik ben doodop van de slaap! En in dit dorp heb ik een vriend. Hij zal ons in zijn hut wel matten geven om er de nacht door te brengen. En daar zullen wij het heel wat beter hebben dan in dit dichtbegroeide bos

Op de derde dag van hun reis nam de koopman afscheid van den Niominka.

— Ik kan je niet aanraden mij te volgen, Diouf! zei hij, want mijn zaken vereisen, dat ik naar het land van de Balanten ga. Voor wie die mensen niet kent, schuilt er gevaar in, in hun gezelschap te verkeren. Nog minder kan ik je aanraden hun land door te trekken, als je met je ossen, kalveren en geiten terugkomt, die je van den broer van je moeder hebt geërfd. De Balanten zijn namelijk gewoon alle doortrekkenden uit te plunderen, zó zelfs, dat een dochter uit hun stam nooit met een jongen zal trouwen, die niet op zijn minst des nachts in een of ander dorp een os heeft gestolen.

(Wordt vervolgd).