is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1210, 23-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede brief uit een Spaans hospitaal')

OVER JOSE

José was het zorgenkind van de zaal.

Een bom-explosie had iets in zijn hoofd zwaar beschadigd, hij had de spraak verloren, het geheugen. De lange, kmrhtiee ioneen lag als een hulpeloos

kind in bed, met gesloten ogen, vaak schreiend als een baby. Soms ging hij zitten, pakte met één hand de stang van het voeteneind en schreeuwde als een klein kind. Dat deed hij bij voorkeur 's nachts, of het rode schijnsel van de nachtlichtjes hem angst aanjaagde. Hij maakte de hele zaal wakker en de uitgezochtste scheldwoorden en onheilswensen vlogen hem naar t hoofd.

Iemand pakte zijn schouders, duwde hem, ondanks zijn verweer, weer met het hoofd op zijn kussen, stopte hem in en onder de vreselijkste dreigementen werd hem bevolen zich rustig te houden.

Vele dagen en nachten hield hij de zaal bezig. Als hij, na wéér een slapeloze nacht van ons, 's morgens rustig indommelde, klonken luidruchtige protesten: wij niet slapen — jij ook niet!

Maar meestai lachten wij, werd hij goedmoedig geplaagd en tot rust gebracht. Bij al onze grote woorden was hij toch een kameraad, die zijn plicht had gedaan en daarbij was getroffen.

Toen was José een nacht heel rustig en 's morgens en de hele volgende dag lag hij stil in zijn bed. Wij dachten, dat het mis was. Je raakt er aan gewend, als iemand zo ineens anders is dan gewoonlijk, het ergste te denken.

Maar 's avonds zei José ineens heel duidelijk: „Ik heb dorst" en nog eens: „Ik heb dorst" en toen begon hij te huilen als vanouds, dat hij dorst had, „dorst!" tot de verpleegster hem wat te drinken had gegeven en hij weer rustig ging liggen. Wij vergaten dit voorval al bijna, omdat hij de volgende dagen weer dezelfde schreeuwlelijk was als voorheen, rechtop ging zitten en met wijdopen mond en gesloten ogen de zaal wakker huilde.

„Zoon van José" werd in deze dagen het meest gebruikte scheldwoord.

Maar er kwam weer zo'n rustperiode en op de avond van die dag vroeg José duidelijk om eten en sprak zelfs nog, onduidelijk, enige zinnen.

Ditmaal bleek de verbetering stand te houden. Vroeg, de volgende morgen, zat José rechtop in bed en keek met grote nieuwsgierige ogen rond in de zaal, die hij nog niet had gezien in de drie weken dat hij er lag. Verbaasd zag hij naar de bedden met slapende jongens, de verpleegsters, die rondgingen, met het gezicht van een kind, dat in een vreemde, nieuwe omgeving is wakker geworden.

De jongens ontwaakten en verwonder¬

de roepen gingen door de zaal: „Mira! José". „Kijk eens! José".

„Goede morgen José" en na een paar ogenblikken stilte, waarin José met grote ogen den spreker aankeek klonk het terug „Goede morgen!"

Zo vaak maak je het mee, en het is altijd weer verheugend nieuw: de belangstelling, het diepe meeleven met een kameraad. In de moeilijke dagen aan het front, waar één het lot van allen kan beslissen en één sterk is door allen, in de gemeenschappelijke strijd voor vrijheid, tegen het fascisme, is kameraadschap een levensnoodzakelijkheid geworden. En in de hospitalen doet die kameraadschap de één zijn wonden vergeten voor de pijn van een ander. Gaat het een kameraad slechter, dan is dat de zorg van de gehele zaal. Knapt iemand op, dan verheugt ieder zich daarover; ligt iemand alleen, terwijl de anderen visite krijgen, dan wijst moeder of broer of zusje even en komt hem een stukje meegebracht

Als een klein kind ... spraak en geheugen verloren. Zo was Jose.

') Wij ontvingen nog een 2e brief uit Spanje van denzelfden jongen man, die ons in het nr. van 26 October over Jaime vertelde. De tekening van José is van hem. Redactie.

fruit brengen. Vertrekken bezoekers van één, dan groeten zij de hele zaal.

Zó ging het met José. Alle jongens brachten hem een bezoek, stelden vragen en waren blij, riepen het anderen toe als hij antwoordde. Ze zeiden hem woorden vóór, die hij slecht of half uitsprak, tot hij ze weer goed kon zeggen.

Hij wist niet hoe hij heette en onvermoeid gaven zij hem het raadseltje op: „Hoe is je naam?" Tot hij eindelijk zachtjes en langzaam, aarzelend, zei: „José".

Toen lachten ze. „Ja! José heet je! Kijk, het staat op je kaart".

Er was een gelukkige lach op zijn gezicht en ieder was blij met hem.

Van dag tot dag ging hij vooruit. Maar waar hij woonde wist hij niet. Als we 's avonds in bed lagen, werd hem dat ge¬

vraagd en langs de rij, van bed tot bed, werden plaatsnamen geroepen om zijn geheugen te helpen. Als hij 's morgens wakker werd, wenste hij ieder goede morgen en als hij den Hollander niet kon zien, riep hij net zolang „Holandé's" tot die zich oprichtte in bed en „goede morgen, José" zei. „Salud! Holandés", antwoordde José tevreden.

Op een middag vroeg hij papier. Met grote hjiast begon hij erop te krabbelen: streep-streep-kras-kras. Veile blaadjes verknoeide hij, toen schreef hij zijn brief. Of hij zich ineens het schrijven weer herinnerde.

De verpleegster liet ons het stuk zien, blij en trots. Wij konden het niet lezen, de regels liepen dwars door elkaar, de letters waren groot en klein. Maar zij had alle» ontcijferd en schreef het over. 't Was een brief aan zijn moeder en onderaan stond duidelijk zijn volle naam en adres. Toen wij 't'hem lieten zien, wist hij niet, dat hij dat ook had geschreven, maar de herinnering was sterk en 't was goed, zoals het daar stond, zei hij.

We waren trots op „onze" José. Aan ieder, die op de zaal kwam, werd het verhaal van zijn genezing verteld en hoe hij zijn adres had geschreven. Alle bezoekers moesten naar hem gaan kijkên en met hem praten. We vertelden hem hoe hij was geweest, deden zijn geschreeuw na en onze scheldwoorden en hij lachte, lachte maar. „Daar weet ik niets van! Doe het nog eens, nog eens", vroeg hij en lachte weer luid. Nog altijd was op zijn gezicht een kinderlijke trek en in zijn ogen dat blijde licht van iemand, die de wereld pas ziet en het leven mooi en goed vindt.

Toen kwam de verrassing: zijn familie kwam over.

Ze kwamen op een dag, dat geen bezoek was toegestaan en werden afgewezen. Maar de verpleegster had ervan gehoord en vertelde ons het grote nieuws geheimzinnig, 't Was of wij een plannetje hadden uitgedacht, zo leuk, dat we 't haast niet voor ons konden houden. Als kinderen verheugden wij ons; als wij hem

aankeken dachten we: „Morgen !"

We waren opgewonden als kinderen. Niemand ging weg van de zaal, ieder wilde daó,r zijn, als het bezoekuur begon.

De verpleegster keek uit op de gang en wij wachtten in blijde spanning. Ze kwamen! Er ging een seintje door de zaal, de jongens in de bedden richtten zich op en keken naar José, groetten hem vrolijk, keken naar de deur.

Moeder kwam binnen. Een leuke boerenvrouw, om he.t hoofd een zwart-zijden doek geknoopt, aan de arm een grote hengselmand. Na haar een jongere broer van José, met hetzelfde prettige jongensgezicht, de grote bruine ogen en het zachte zwarte haar.

Vader is klein en heel bewegelijk, om zijn middel draagt hij een brede blauwe doek als gordel, onder zijn grote pet