is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen, jrg 12, 1928, no 6, 15-06-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOELICHTING:

Toen in 1904, tijdens het Ministerie-Kuyper in de art. 61, 96, 107 en 149 der Gemeentewet het woord mannelijk werd ingevoegd, waardoor de benoeming eener vrouw tot burgemeester, secretaris, ontvanger en ambtenaar van den burgelijken stand eener Gemeente werd uitgesloten, werd deze wetswijziging uitsluitend verdedigd op grond hiervan, dat de terminologie van de Gemeentewet in overeenstemming behoorde te worden gebracht met de bewoordingen der Grondwet van 1887. Het is bekend, dat in 1887 in de Grondwet de eisch van mannelijkheid werd gesteld voor het vervullen van publieke functies.

Uitdrukkelijk werd bij de behandeling dezer wetswijziging in 1904 door Minister Kuyper verklaard, dat het hier niet gold een principieele beslissing. Over de geschiktheid en wenschelijkheid der benoeming van een vrouw tot het ambt van burgemeester, secretaris, ontvanger 'en ambtenaar van den burgelijken stand, is toen ternauwernood gesproken.

Nu echter in 1917 onze Grondwet is veranderd en voor alle publieke functies de eisch van mannelijkheid is geschrapt, waardoor de vrouw aan dezelfde vereischten moet voldoen als de man om èn lid van de Tweede Kamer, Provinciale Staten en Gemeenteraad èn kiezer te zijn, is het urgent om de Gemeentewet in overeenstemming te brengen met de gewijzigde Grondwet en de uitsluiting der vrouw van de benoeming tot bovengenoemde gemeentelijke functies weg te nemen.

Dit dringt des te meer, vooral voor het ambt van burgemeester, omdat thans niet alleen vrouwen in grooten getale zitting hebben in Gemeenteraden, doch ook in eenige Gemeenten vrouwen tot volle bevrediging werkzaam zijn als wethouder en het reeds is voorgekomen, dat een vrouw is opgetreden als waarnemend burgemeester. Het is tegen het belang van de gemeenschap, dat bij de benoeming van een burgemeester, geschikte vrouwen daarbij zijn uitgesloten en de keuze noodeloos wordt beperkt. Dit argument geldt natuurlijk ook voor de functie van Gemeente-secretaris, ontvanger en ambtenaar van den burgelijken stand. Het komt herhaaldelijk voor, vooral in kleine plaatsen, dat voor deze functies wel geschikte vrouwen, doch niet daarvoor geschikte mannen, worden gevonden.

Prof. Mr. J. Oppenheim schreef in zijn standaardwerk: „Het Nederlandsche Gemeenterecht" (II p. 23, 5de druk): ,,In het Ontwerp 1923 art. 37 wordt het voorstel (tot de benoembaarheid der vrouw tot burgemeester) gedaan, en men kan bezwaarlijk een beter bewijs aanvoeren voor de algeheele kentering der denkbeelden op het punt van de benoembaarheid der vrouw tot ambten, dan dit, dat noch de Staatscommissie, noch de Regeering het noodig hebben gevonden daaraan ook maar één woord ter verdediging toe te voegen".

W aar de vrouw thans op het geheele maatschappelijke en politieke gebied met den man samenwerkt, is er geen enkele reden voor haar uitsluiting evenmin van het ambt van burgemeester als van dat van secretaris, ontvanger en ambtenaar van den burgerlijken stand.

Zooals we hebben gezien was het dan ook in 1923 voor de Staatscommissie-Oppenheim, — waarin o.a. ook zitting had Jhr, Mr. D. J. de Geer, de tegenwoordige Minister-President, -— als voor de regeering, vanzelfsprekend, dat de belemmering tegen de benoeming eener vrouw tot de bovengenoemde functies zou worden geschrapt.

Tot onze verbazing en teleurstelling lazen we echter, dat thans wel zal worden voorgesteld de benoembaarheid der vrouw tot Gemeente-Secretaris en Ontvanger, doch niet tot Burgemeester, waarvoor toch dezelfde gronden gelden, en thans bij de snelle evolutie zelfs nog meer dan reeds in 1923.

In het buitenland zijn reeds lang vrouwen werkzaam als burgemeester. Deze vrouwelijke burgemeesters treden daarbij ook op als hoofd der politie, zonder dat ooit de klacht vernomen werd, dat zij in de praktijk voor deze laatste functie niet geschikt of berekend zouden zijn. Als voorbeeld in Amerika noemen we Mevrouw Landes, Lord-Mayor van de belangrijke havenstad Seattle, hoofdplaats van den staat Washington. Van deze vrouwelijke titularis getuigde haar grootste tegenstander bij haar herkiezing tot het ambt: ,,Gij behoeft geen aanbeveling, de stad spreekt voor zich zelf".

Het zou verleidelijk zijn meer te vertellen van het uitnemende werk van deze vrouwelijke Burgemeester vooral in het belang der openbare zedelijkheid van haar Gemeente, doch we moeten ons beperken om ook iets te vertellen van de vrouwelijke burgemeesters in andere landen. In Engeland zijn thans reeds veertien vrouwen als burgemeester werkzaam, waaronder enkelen van zeer belangrijke gemeenten o.a. in Liverpool en Southampton. Voor de merkwaardigheid willen we hierbij vermelden, dat de eerste vrouwelijke burgemeester in Engeland een Nederlandsche van geboorte is. Deze bekwame vrouw zou dus in Nederland niet als hoofd der gemeentelijke huishouding werkzaam kunnen zijn. Het is bekend, dat ook in Frankrijk, Duitschland en België vrouwen benoemd zijn tot burgemeester. Enkelen van haar hebben ten tijde van den oorlog bewijzen gegeven van zeldzamen moed en opofferingszin voor haar gemeente. Terloops vermelden we hier, dat zelfs in Berlijn in 1927 een vrouw is opgetreden als waarnemend burgemeester.

Op bovengenoemde gronden verzoekt het Hoofdbestuur der Ned. Ver. van Staatsburgeressen Uwe Excellentie dringend het Ontwerp 1923 op dit punt niet te willen verslechteren, doch te willen voorstellen, dat in de Gemeentewet de belemmeringen worden geschrapt, zoowel tegen benoeming der vrouw tot burgemeester, als tot secretaris, ontvanger en ambtenaar van den burgelijken stand eener Gemeente.

M. COHEN TERVAERT-ISRAELS,

wn. presidente.

Mr. M. GOEDHART, secretaresse.

's-GRAVENHAGE, Mei 1928.