is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen, jrg 12, 1928, no 6, 15-06-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN GROET AAN ONZE JAARVERGADERING

van S. v. d. HOEVE—BAKKER. Eere-presidente, en hoofdbestuursleden, afgevaardigden en belangstellenden, een hartelijken groet bij den aanvang dezer laarvergadering!

Uit den beschrijvingsbrief heb ik opgemaakt, dat er belangrijke Westies, het doel en de naam onzer Vereeniging in debat zullen borden gebracht.

Ik ben overtuigd, dat het groote doel der vrouwenbeweging: <ioor middel van den invloed der vrouw op alle gebied, de wereld :^at hooger- te heffen, het leven in de maatschappij voor allen ^at blijder en lichter te maken, de broederschap aller menschen, aller volken iets nader te brengen, dat dat groote doel U allen begeestert.

Doch het middel: de invloed der vrouw, zal eerst dan baten, 5ls de vrouwen waarlijk goede Staatsburgeressen zullen zijn.

Burger eener stad te zijn was in vroeger dagen een eeretitel. ^at beteekende, dat men met hart en ziel zijne stad wilde dienen in allen nood trouw ter zijde staan.

De wereld heeft ook thans in de eerste plaats behoefte aan t'ouwe burgers, aan sterke, zuivere, helderdenkende menschen, ^'e met hart en ziel zich kunnen geven, aan goede en trouwe burgeressen.

Daarom moeten wij, naast allen arbeid naar buiten, naast onzen ^rijd voor betere huwelijkswetten, voor meer medezeggingschap v0or vrijheid van arbeid, vooral arbeiden aan ons zeiven, opdat pij zachte, helderdenkende en diepvoelende menschen worden met een open blik voor de nooden en zorgen van onze naasten, met een helder oordeel over de groote vragen, die het maatschappelijk 'even beheerschen; menschen die durven en doen, die zich weten *e geven, geheel.

Dan eerst zullen wij met vrucht kunnen arbeiden aan ons groote ^oel, als wij, leden onzer Vereeniging, in dezen zin Staatsbur&ressen zijn.

! „What is in a name het doet er niet toe hoe wij heeten,

onze arbeid maar voor ons spreekt", zoo zeggen er.

Heel veel kan een naam te zeggen hebben.

Mijn beste wensch is, dat wij er in mógen slagen onzen naam: Vereeniging van Staatsburgeressen te maken tot een geëerden

geliefden naam door geheel Nederland. ^

OPENINGSWOORD v. d. Wn. PRESIDENTE.

Het samenkomen voor onze algemeene jaarvergadering is altijd een vreugdevolle gebeurtenis, het weerzien van de oude Vriendinnen, het kennismaken met nieuwe geestverwanten, het ^spreken en zoo mogelijk tot oplossing brengen van problemen ^'e ons ter harte gaan, het vormt alles samen een hoogtepunt l!1 ons vereenigingsleven.

Toch is het deze keer met weemoed, dat door mij het woord '°t U gericht wordt, want ik sta hier in de plaats van uw eigende presidente, de zooveel jongere, waar we op vertrouwden ze nog jaren haar op beminnelijke en toch besliste manier de 'e'ding van ons werk zou houden, en helaas, zij heeft om gezondheidsredenen haar taak moeten neerleggen. Eerst naar we °opten voor eenige maanden, toen, op dringenden raad van aar geneesheer voor goed. Maar laat ik er hier dadelijk het ^roote lichtpunt bij vermelden: bij een rustig leven eenige jaren v°ortgezet is een algeheel en volledig herstel te verwachten,

en ook gelukkig al ingetreden; en het bewijs is een hartelijken groet en een goeden raad die zij mij voor deze vergadering zond en die ik zoometeen zal voorlezen.

Wat nu onzen arbeid zelf aangaat, het is soms of een matte stemming over de heele vrouwenbeweging hangt, het oude vuur lijkt uitgebluscht, en een nieuwe falanx jonge strijdsters laat, zoo schijnt het, op zich wachten.

Maar de Engelschen hebben voor deze constellatie, die iedere geestelijke groei op een oogenblik doormaakt, een eigenaardig hoopvolle term: the movement has run to seed, de beweging is in 't zaad geschoten, zoo noemen ze dat. Ja, de bloei is voorbij, jammer, maar troost U het zaad is rijpende. Niet zoo fleurig nu meer het werk, niet meer zoo aanlokkelijk voor de massa, wat zwaarder, wat moeizamer, maar niet minder loonend, niet minder de toewijding waard van haar die de beweging lief hebben om zijn hooge beteekenis, om zijn innerlijke waarde voor de menschelijke samenleving.

De vraag wordt gesteld: wat doel heeft een vereeniging als de uwe nog, nu het kiesrecht, de staatkundige evenwaardigheid van vrouwen en mannen toch bereikt is? En zij die zoo vragen vergeten dat dit kiesrecht nooit einddoel van de vrouwenbeweging geweest is, maar middel tot dit zoo heel eenvoudige en toch voor velen zoo moeilijk te vatten doel, —7 vrouwen te erkennen als menschen, niets meer maar vooral ook niets minder. Deze eisch voelen we als recht en we zijn ons bewust van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Het is zoo eenvoudig, en we wilden zoo graag, dat het nu eens uit mocht zijn met 't herhalen van deze simpele waarheden, maar het mocht wat, we zijner nog lang niet! Daar is het recht op vrijheid van arbeid, grondslag van ieder menschwaardig bestaan, —ook voor de getrouwde vrouw — een eisch zoo onmiddellijk voortvloeiend uit ons beginsel! Hoevelen edelachtbaren blijken er nooit iets van begrepen te hebben, wat zeg ik, hoevele vrouwen zelfs, hoewel met vreugde de vruchten van onze strijd plukkend, — beschouwen de gang naar het stadhuis nog altijd als de weg naar een verzorgingsinstituut bij uitnemendheid! — inplaats van te beseffen dat in het goede huwelijk meer dan ergens anders de woorden van toepassing zijn die spreken van het dragen van elkanders lasten.

Daar zijn de ontwikkelingskansen voor jongens en meisjes, daar zijn de toelatingseischen tot ambten en beroepen, — wie snapt er dat een vrouw, de tot moeder bestemde, nog geen kinderrechter kan worden, — dan is daar 't gelijke loon voor gelijken arbeid, — dan bestaat er nog steeds, O schande, onze achterlijke huwelijkswetgeving. En we zouden tevreden moeten zijn, en we zouden de bloemetjes nu maar buiten kunnen gaan zetten, den kool planten en onze buitenplaatsen gesteld dat we die hadden ?

Vriendinnen het gaat niet, het mag niet, en zoolang als onze vereeniging een levende organisatie is hoeft het ook niet.

In tegenstelling met hen die vragen waarvoor wij eigenlijk nog noodig zouden zijn, zou ik willen aanvoeren, dat er nog zooveel werk op ons wacht, dat het de vraag is, of wij het aan kunnen, en wanneer het eens gebeurt dat uit een ijverige afdeeling een verwijtend geluid komt als zouden we niet alles gedaan hebben, wat er op ons gebied te doen valt, dan erken ik grif, dat het best kan wezen. Uw H.B. leden zijn ook maar menschen, dikwijls overstelpt met werk op allerlei ander gebied, die het volmaakte niet kunnen bereiken. Maar we doen ons best, nooit bleef een ernstig beroep op ons onvervuld, en dat kan van