is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1216, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR STILLE UREN

Hand en hand wandelden Saartje en Willem over de gladgeharkte paden, omzoomd door kortgeknipte buxusheggetjes. De blonde haren van het zusje glansen op, wanneer de zonnestralen, door het loof der bruine beuken priemend, er

over speelden. Haar uitstaand zijden jurkje, dat tot op de voeten reikte, droeg ze met de gratie van een volwassen dame. En het zevenjarig broertje aan haar zijde, met zijn poederpruikje en zijn driekante steek onder de arm, was een volmaakte kleine ridder. Hij droeg een fluwelen pakje, met een kniebroek, en de witte kousen staken helder af bij zijn zwarte lakschoentjes, met zwierige zijden linten dichtgestrikt. In het priëel bij de rozen zat de moeder te lezen in een Franse roman. Maar Saartje en Willem keken niet naar haar. Die wandelden regelrecht naar de vierkante vijver, waar in het midden een grijs-stenen Neptunus, stralen water omhoog blies uit een reusachtige schelphoorn, die hij tegen de mond hield. Pletserend vielen de droppels neer. Voorzichtig opende Saartje het rieten korfje, dat ze in de hand hield, en zorgzaam strooide ze nu broodkruimels over de waterspiegel. Plotseling kwamen twintig, veertig karpers boven de oppervlakte; ze verdrongen elkaar en sprongen soms hoog op om een brokje te bemachtigen. De kinderen bleven voeren tot het mandje leeg was.

„Ik ga van Alphen halen," sprak Willem toen. „Lees je me voor?" Saartje knikte en even later zaten ze naast elkaar op de zodenbank onder de oude treurwilg en genoten van „Jantje zag eens pruimen hangen" en „We zaten laatst bij Saartje, onze goede oude baker", tot het bedtijd was.

De familie woonde des zomers hier in het statige huis aan de Veoht. Breed was de oprijlaan, die tot de hoge stoep voerde, na welks bestijging men de zware eiken voordeur bereikte. De strakken grijze gevel werd even gebroken door de hoge ramen aan weerszijden van de deur. Het spits-oplopend dak van het bijna vierkant gebouw, droeg één schoorsteen in het midden, bekroond door een vergulde windwijzer. Binnen waren de kamers behangen met goudleer en sierlijke witgelakte meubelen met gouden randjes en rose gebloemde stoelbekledingen, stonden er, elegant op rondgebogen pootjes. Een Chinees laktafeltje had de heer des huizes, naar de mode dier dagen, uit het buitenland herwaarts doen komen. De plafonds toonden omlijstingen van ronde schelpmotieven in wit stucwerk en verguldsel, en er hingen grote spiegels, met dezelfde zwierige motieven omrand.

Het was de tijd van de grootste weelde en de bitterste armoede. Terwijl de rijke dames des middags uit broosporceleinen kopjes hun geurige thee met kaneel dronken, thee die 15 h 20 gulden het pond kostte, liepen in lompen

onthullingsdag — aan de voeten van de moeders gelegd. Een zoele Parijse herfstwind deed de massa der gele bloemen zachtjes heen en weer bewegen...

Twintig jaar na de wapenstilstand. Wie weet het niet, hoe moeilijk deze dagen nog altijd voor vele vrouwen zijn! In deze arbeiderswijk weet men er van. Spreekt de hiffstwind daarvan tot de bloemen?

Zal deze zo verheerlijkte, zo roemrijke moeder hier lang rustig blijven staan en zich laten aanbidden? Zullen al deze eerbewijzen haar voor andereoverwegingen ongevoelig maken, haar doen berusten in al die roem? Zal zij niet op een nacht met een schreeuw uit haar slaap ontwaken en uitroepen, dat zij niet vrijwillig geofferd heeft, dat zij niet meer offeren wil?

Ik moest denken aan een legende, waarin verhaald wordt van een kunstenaar, die eens uit brons een beeld maakte, dat hij „De eeuwigdurende smart" noemde.

Enige jaren daarna wilde hij iets anders uit brons maken. Maar er was nergens meer brons te vinden. Daarop brak hij het standbeeld van „De eeuwigdurende smart" in stukken en schiep

een beeld: „Het veroverde geluk".

Toen ik mij deze legende herinnerde, en ik keek weer naar het monument, toen kwam de vraag bij mij op: wanneer zal er een kunstenaar komen, die uit deze beelden van „De lijdende moeder" een beeldengroep zal scheppen van de bevrijde arbeidersvrouw, die tezamen met man en kinderen vrolijk en trots de wereld kan aanzien? R. M.

Ingezonden

Haast

Ter overdenking

Een groep hield haar jaarvergadering. Het bestuur had de illusie van een heerlijk samenzijn op 't laatst van 't jaar, dacht aan de Kerststemming.

Het was koud, erg koud. In ons zaaltje was 't niet warm te krijgen, zoals het thuis ook haast niet warm te krijgen was, daardoor vermoedelijk slechte opkomst, wat treurig was, gezien de belangrijke agenda.

Waarom bleven de leden weg? Omdat het zo koud was? Laten wij ons toch spiegelen aan de onnoemelijke offers, welke gebracht worden door onze medemensen, welke deze offers moeten ondergaan voor de komst van het socialisme Laten

wij proberen ons in te denken, de trappen met de gespijkerde laarzen toegebracht aan mannen en vrouwen in de concentratiekampen, de slagen met zwepen over de ogen, en laten wij ook denken aan de vluchtelingen in hutten en stallen of helemaal geen dak boven 't hoofd in Niemandsland in deze felle koude. Wat betekent dan de nietszeggende opoffering van ons, leden van de S.D.V.C. om die koude te trotseren en in groten getale naar onze bijeenkomsten te gaan.

Wij zijn nog vrij, moet men dan eerst de klemmende duim voelen om te willen?

En dan de haast van de leden bij 't eind van het h.h. gedeelte, waarna 't bestuur nog gedacht had aan wat mooie declamatie of tot slot van 't jaar nog wat samen te zingen, waarna men elkaar prettige Kerstdagen dacht te wensen en in deze vreselijke toestanden toch een genoegelijk huiselijk nieuwjaar wenst... Niets van dat alles, geen declamatie van de pge., die zich de moeite van instuderen had genomen, geen prettige wensen, allen om wat koude.

Had men zich dit korte tijdsbestek nog even beheerst, hoeveel heerlijker was onze gang naar huis geweest.

Laten wij, goedwillende partijgenoten, toch rustig het ogenblik afwachten, dat een voorzitster behoorlijk haar slotwoord gesproken heeft en de hamer valt. ■

Waarom altijd zo'n haast?

Secretaresse van een A'damse groep.