is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1221, 08-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu, dan niet," zei de spin. „Ik kwam alléén maar om te zeggen, dat jullie 't aan het rechte eind hebt, wat die Stien aangaat. Zij is een mispunt. Zeven keer heeft zij mij met haar ellendige ragebol mijn web in stukken gescheurd. Als jullie het haar betaald wilt zetten, ben ik van de partij. Dat is alles! Goede nacht".

Daarmee kroop ze weer langs de draad naar boven. De krekel speelde, verder was alles stil in de kamer. Geen van de andere liet zich zien.

Plotseling begon 't weer te jammeren binnen in het vurenhouten tafeltje. „Och, — och, hoe zit 't toch, kan niemand mij helpen? 't Is toch een schandaal..." „Is 't weer mis, arm spook?" vroeg de huiskrekel deelnemend. Maar toen zei hij niets meer, staarde alleen mét grote ogen naar het tafeltje en waagde zich zelfs halverwege uit zijn reetje om beter te kunnen zien. Op de ene vierkante poot van het tafeltje zag men plotseling een klein rond gaatje. Het gaatje werd groter, er kwam een kopje uit te voorschijn, daarna een paar portjes en eindelijk rolde een vrij groot zwart en geel gestreept beest met vleugels, poten, voelhorens en al, er helemaal uit. Het beestje tuimelde op de vloer, maar vloog weer dadelijk op de tafel, ging proestend en niezend op de rand zitten en bewoog de vleugels op en neer.

„Poeh," zei het, „dat was een harde dobber, als ik nu maar wist waar ik was". „U bent in de kamer van den zeekapitein", zei de huiskrekel beleefd. „U bent net uit de poot van dat tafeltje daar gekropen. Hoe u daarin gekomen bent en wat u daar wilde en wie u is dat moet u zelf weten. Ik ben de huiskrekel, tot uw dienst."

„Kunt u mij soms de weg naar het groene bos wijzen?" vroeg het beestje. „Neen, dat kan ik tot mijn spijt niet," antwoordde de krekel. „Ik ben nooit verder geweest dan tot de mesthoop of naar het veld. Mag ik vragen met wie ik de eer heb te spreken?"

„Ik ben de houtwesp", zei het beestje. „Ik zal wel moeten sterven, want ik zie niet in, hoe ik ooit uit deze kist zal komen en ik ben zo vreselijk moe." „Rust eerst maar een beetje uit," zei de huiskrekel. „Wanneer u mij uw geschiedenis wilt vertellen, dan zal ik u wel zeggen, hoe u hier van daan kunt komen."

„Werkelijk? God zegene u!" „Ja, maar eerst de geschiedenis. Ik ben dol op mooie of griezelige verhalen in het donker, en dat van u is zeker niet te versmaden? Begin maar, ik zal er muziek bij maken."

„Geloof maar, dat ik vreselijke dingen heb beleefd," zei de houtwesp. „Maar het ergste van alles was haast om daar in die poot opgesloten te zitten, ik dacht nooit dat ik eruit zou komen."

„Wij hoorden, hoe u te keer ging," zei de huiskrekel. „En toen?" „Ziet u," begon de houtwesp, „toen ik een ei was, legde mijn moeder mij in een grote, mooie den in het bos. Weet u, wat een den is?"

„Dat is een kerstboom," zei de huiskrekel, „met kaarsen eraan en mensen, die elkaar bij de hand houden en er omheen dansen." „Daar heb ik nooit van gehoord," zei de houtwesp. „Mijn den was hoog en slank, veel, veel hoger dan de kamer hier. En groen was hij en er waren vogels in zijn top en mieren aan zijn voet en zonneschijn op alle takken." „Daar heb ik nog nooit iets van gehoord," zei de huiskrekel. „En verder?"

„Mijn moeder stak haar legangel in de boomschors en stopte mij er heel diep in. Juist toen ze daarmee klaar was, kwam er een vogel en at haar op." „Bewaar me," riep de krekel. „Dat is nog niets," zei de houtwesp, „het wordt nog veel erger."

Vlak naast mij had zij mijn zuster gelegd — ook in het ei, natuurlijk. Maar juist op het ogenblik, dat zij haar angel terugtrok om mij te leggen, stak een akeiige sluipwesp haar legangel in het gaatje, waar mijn zuster lag en legde haar ei er vlak naast. De larve kwam uit het ei tegelijk met mijn zuster en at haar onmiddellijk op, dat begrijpt u wel. Ik lag ernaast en hoorde haar jammeren." „Wat gaat 't toch vreselijk toe onder de wilde dieren," zei de huiskrekel.

„Het wordt nog veel erger," zei de houtwesp. „Ik was veilig uit het ei gekomen en viel dadelijk op het hout aan, want dat was, wat mij te doen stond. Ik at me heel diep in de boom, want daar was het hout het lekkerst en ook wilde ik natuurlijk de angel van mijn moeder zaliger, die nog in het gaatje was blijven steken, uit het oog verliezen. Het maakte mij bedroefd er steeds naar te kijken, ziet u. Ik was nog te jong om de gruwelen des doods zo dagelijks voor ogen te hebben. Maar op een goede dag kreeg ik plotseling een geweldige stoot. Ik had er geen flauw idee van, wat 't kon zijn, eerst later begreep ik dat de boom omgevallen was."

„Heb je ooit ," zei de krekel. „Dat is slechts het begin," zei de

houtwesp. „Ze hadden de boom omgehakt en begonnen hem nu door te zagen. Duidelijk hoorde ik de zaag vlak naast mij en verwachtte ieder ogenblik in tweeën te worden gesneden." „Wat hebt u toch veel doorgemaakt," zei de huiskrekel. „Daarna werden wij geschaafd," ging de houtwesp voort. „Geloof maar niet, dat 't een pretje was om de schaaf vlak boven je te horen en ieder ogenblik te kunnen verwachten, dat de laatste spaan zou gaan."

„Maar ze ging dus niet?" „Neen, ze ging niet. Ik lag midden in de poot, de poot van de tafel begrijpt u, waar ik daarnet uit ben gekropen. Nu woonde ik dus in een tafelpoot, werd gelijmd en geschilderd en in de winkel geplaatst. Ik hoorde, hoe de meubelmaker de tafel aanprees: 't was een goede en soliede tafel, zei hij, ze kon wel honderd jaar duren. Hij wist immers niet, dat ik de ene poot kris-kras doorknaagd had. Want ik bleef maar aldoor eten, begrijpt u, je moet toch leven, al hangt je bestaan ook voortdurend aan een zijden draadje. Ik was nu groot en dik en vet geworden, toen verpopte ik mij."

„Was dat in de winkel?" vroeg de krekel. „Neen, dat was hier," antwoordde de houtwesp. „Ik vergat je te vertellen, dat ik verkocht werd en hierheen gebracht. Toen ik mij weer ontpopt had en verder wilde gaan, kon ik mij door die ellendige verf niet heenbij ten. Dat was, toen u mij zo hoorde jammeren."

„Natuurlijk," zei de huiskrekel. „Ik begrijp 't alles heel goed. Dat is de interessantste geschiedenis, die ik in lange tijd heb gehoord. Die kan best op muziek gezet worden." „Dat is mogelijk," zei de houtwesp. „Maar nu denkt u wel aan uw belofte om mij de weg te wijzen, hoe ik hier vandaan kan komen."

„U moest maar liever hier blijven," zei de huiskrekel en speelde zo mooi hij kon. „Wat wilt u daar in het groene bos, waar 't zo woest toegaat? U kunt immers uw eieren daar in het boekenrek leggen, of in de tafel, waar u vandaan kwam, of in het oude bureau. Hier zijn geen sluipwespen, maar louter aardige en gezellige luitjes, zoals de bromv * g, het doodskloppertje, de vlo en ik. En dan zijn er natuurlijk ook nog de zeekapitein en zijn familie, maar die zijn op het ogenblik op reis, dus die kan ik nog niet aan u voorstellen."

„Dank je wel," zei de houtwesp, „maar ik moet terug naar het bos.