is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1222, 15-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwoord aan mevrouw v. Celderen

Mijn bespreking van de brochure van Mw. Jet Luber in de „P. Vr." van 25 Januari heeft felle kritiek uitgelokt van Mw. v. Gelderen in het nummer van 8 Februari j.1.

Ik besprak, zoals ik het noemde: „enkele zeer belangrijke vragen" uit de genoemde brochure.

Het schijnt mij toe, dat Mevrouw v. G. deze vragen als hopeloos verouderd en afgedaan beschouwt. De hele strekking van haar betoog zou zijn samen te vatten in de volgende woorden:

„In deze tijd, in deze omstandigheden kan niets anders de oorlog meer bezweren, dan alleen sterke bewapening."

Haar slotzin: „De stem van het kanon moet niet aan één kant een bedreiging kunnen zijn. Dat is ook het standpunt van onze partij en het overgrote deel onzer partijgenoten," spreekt voor zichzelf.

Laat ik beginnen met te verklaren (onze redactrice is daar al lang mee op de hoogte) dat ik het huidige militaire standpunt onzer partij deel; dat ik dus behoor tot de „overgrote meerderheid"; al zal dit de inzendster misschien als een paradox klinken.

Maar waar staat, dat wij naast dat standpunt, ook nog niet naar andere middelen mogen omkijken voor het behoud van de vrede?

Voor die andere middelen meende ik de aandacht te mogen vragen, toen ik schreef over „enkele zeer belangrijke vragen" in de brochure van Jet Luber.

En ik ben zo vrij, dat inderdaad als zeer belangrijk te beschouwen en die gedachten niet als hopeloos ouderwets ter zijde te stellen.

Zie, als ik — naast de noodgedwongen aanvaarding van het partijstandpunt (en hoevelen van onze vrouwen zullen dat noodgedwongen even zwaar voelen als ik) zeg, dat Jet Luber gelijk heeft met haar aanklacht tegen de vrouwen, dan ben ik volkomen bereid, dat te verdedigen.

Of is het soms niet juist, dat ontzaglijk veel vrouwen maar oppervlakkig heenleven over de bange, huidige wereldtoestand. Is het niet juist, dat zij zich niet willen verdiepen in verschillende problemen, waardoor haar de ogen zouden opengaan over de onhoudbaarheid van het maatschappelijk stelsel, waaronder wij leven? Aanvaarden velen de steeds noodlottige omstandigheden niet met een gemak, waar wij perplex van staan?

Mevrouw van Gelderen moet maar een haar oor te luisteren leggen in gezinnen, waar opgroeiende jonge mensen zijn. Is het haar niet opgevallen, hoe een ontzettend groot aantal jongelui, die er vroeger niet aan gedacht zouden hebben, nu de militaire dienst als een begeerlijk beroep beschouwen? Die het als de meest gewone zaak van de wereld verkondigen, dat zij willen gaan naar den Helder, Soesterberg, de Kon.

Mil. Academie. Als ik dat zo meemaak, dan bekruipt mij de benauwende gedachte: „Zijn wij al zó ver?" Wordt dit alles door oppervlakkigheid al zo „gewoon" gevonden? Welk tegenwicht laten de vrouwen, de moeders hier gelden? Vinden zeer velen van haar dat ook gewoon, en is dat niet een groot geestelijk gevaar?

Dan kom ik tot het fel bestreden punt: de vrouw, voortbrengster en draagster van het nieuwe leven, welke uitdrukking Mw. v. G. „een afgezaagde gemeenplaats en vals feminisme" noemt. Zij vraagt, of ook niet de man voortbrenger van het leven is. Ik meen, dat wij geen biologisch dispuut moeten openen, daar gaat het hier niet om. Ik meen, dat er in iedere normale vrouw een oer-drift woont ter verdediging van haar kind; een sterker impuls nog dan bij den man. Moederliefde is juist door alle eeuwen heen de verdedigende, de beschermende liefde geweest. En ik geloof, dat men, beter dan hierbij de smadelijke betiteling: „vals feminisme en afgezaagde gemeenplaats" te gebruiken, deze * oer-kracht moet aanwakkeren vooral bij de moeders, die in oppervlakkigheid de gevaren niet zien, die het jonge geslacht bedreigen.

Mevr. v. G. beaamt ten volle, dat wij met geestelijke middelen moeten blijven strijden. Welnu, daarin ligt de kern van mijn artikel opgesloten.

Zij zegt even verder, „dat deze middelen niet voldoende zijn, om onze wil aan de geweldfanatici kenbaar te maken."

Ik vraag: waar heb ik in het nummer van 25 Januari betoogd, dat dit voldoende is?

Mw. v. G. schrijft ook: „Wij verwerpen de beschuldiging van oorlogsbereid te zijn, als wij moeten erkennen, dat in deze tijd bewapening nodig is om de vrijheid en de democratie te verdedigen."

Ik vraag alweer: heb ik deze beschuldiging geuit? Neen!

Ik heb naar aanleiding van de brochure, gesproken over oorlogsbereidheid en de gevaarlijke mentaliteit, die daaruit voortvloeien kan. Wanneer de massa niet oorlogsbereid is, is zij daarmee onbetrouwbaar geworden voor heersers, die naar oorlog drijven. Hoe waren de berichten over de oorlogsbereidheid in Duitsland 1.1. September? Niet van de fascistische benden rondom Hitier, maar van het volk? Gaf het niet bij alle ellende een klein sprankje van hoop, dat bij de brede lagen der bevolking in D., de ouderen, de meer bezonkenen, de generatie, die de wereldoorlog had meegemaakt, van oorlogsbereidheid geen sprake was? Ware dit wèl zo geweest, zou het de houding van Hitier niet nóg gevaarlijker beïnvloed hebben?

Trouwens, Mw. v. G. weet evengoed als ik, hoe ook in onze socialistische pers, en waarlijk niet alleen door de „minderheid" wordt gewaarschuwd te¬

gen oorlogsbereidheid, tegen de stemming van: „Vooruit dan maar, 't zal er toch wel van moeten komen, een nieuwe wereldoorlog is onvermijdelijk." Ik meen, dat vele van onze voormannen juist deze stemming als fataal hebben betiteld en, evenals ik, van mening zijn, dat, zolang er door overleg nog enige kans is, men niet moet wanhopen. Wij hebben, trots alles, in deze tijden het idee van de Volkenbond toch niet overboord gegooid? Dat is de organisatie van overleg en beraadslaging en daaraan willen wij vasthouden — ook nu.

Ik ben het volkomen eens met de inzendster als zij betoogt, dat al het overleg van de laatste maanden niets goeds gebracht heeft. Ik zelf heb in verschillende overzichtjes in ons blad herhaaldelijk met grote heftigheid en bitterheid geschreven. Eveneens ben ik het met alles over de ellende van Oostenrijk, de Tsjechen, China, Spanje, de Joden, méér dan eens, dat moest Mw. v. G. weten.

Maar dit neemt niet weg, dat ik het recht wil houden om naast de militaire middelen ook, nu het jonge geslacht dreigt onder te gaan in een roes van militaire verheerlijking, te wijzen op de geestelijke middelen, die mij troffen in de brochure van Mw. J. Luber en die ik in de krant van 25 Jan. besprak.

Tenslotte: Ik geloof dat wij het in wezen eens zijn. Alleen, Mw. v. G. kan misschien niet aanvaarden, dat naast de stem van het kanon in deze tijden ook nog de roep om geestelijke middelen moet klinken.

En zó denk ik er over. H. W.

In memoriam pge Wester

Zoeven ontvingen we de tijding van het overlijden van p.ge Wester, in de ouderdom van slechts 49 jaar.

In Groningen zal haar naam wel onbekend zijn, maar in de Vrouwenclub te Den Bosch hebben we haar gekend als een eenvoudige, lieve vrouw, die, wat ze met haar wankele gezondheid nog kon doen, gewillig op zich nam. Haar man en jongens blijven wel eenzaam achter.

Zij ruste in vrede.

Groningen, H. W.—B.

Mevrouw vanAsperen v.d. Velde

De bekende oud-directrice van „One Huis" te Amsterdam vierde dezer dagen haar 70e verjaardig. Een onafzienbare schaar van vrouwen en mannen heeft aan deze bijzondere vrouw verrijking en verdieping van hun leven te danken.

Augusta de Wit

De vorige week overleed op 74-jarige leeftijd de Nederlandse schrijfster Augusta de Wit. Onder de boeken, die zij schreef — verscheidene uit Indië. waar zij lang woonde — herinneren wij o.a. aan „Orpheus in de dessa" en het kleine fijne „Godsgoochelaartjes".