is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1227, 22-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tocht van

26

Het vorige: In tiet Afrikaanse dorp Niöml (Franse kolonie» komt in 1914 net bericht, dat de Blanken onder elkaar oorlog zijn gaan voeren. Grote verbazing onder de negers Samba Diouf vertelt, dat hij een kudde vee van z'n oom heeft geërfd en dat hij deze nu gaat halen. Voor hij vertrekt bezoekt hij Yamina Sedi, het meisje, waarvan hij houdt. Diouf maakt op z'n reis kennis met andere negerstammen, o.a. met de bewoners van Karantaba. Ondertussen wordt overal bekend gemaakt dat elk dorp 10 jonge mannen voor de oorlog moet leveren Samba wordt, gedwongen door de stam van Karantaba. om mee te gaan Zij komen in Frankrijk en gaan naar het front; zij gaan naar de loopgraven. Samba ontvangt een brief van z'n vader en z'n meisje.

De gehele nacht hield het kanongebulder de zwartjes wakker. Bij het aanbreken van de dag werd het geraas elke minuut erger en de stormen in de regentijd in hun land, wanneer onder donderslagen de zware mahoniehoutbomen in 't bos kraken en vallen, alles om zich heen verbrijzelend, waren Slechts kinderspel bij het oorlogsonweer, dat nu om hen heen woedde.

Nu, jongens, zei een inlands sergeant, terWijl hij de loopgraaf binnenkwam, ik geloof dat wij vandaag de Alemans (Duitsers) zullen leren kennen.

God geve, dat het waar is, zei Samba Sarr, nog altijd in een slechte stemming om de dood van zijn kameel. Alles is beter dan wat wij nu op het ogenblik doen.

Haast je maar niet zo, vriendlief, hernam de medicijnman. Het kon wel erger zijn dan wij verwachten, het kon wel branden.

Hoe warm het ook is. vervolgde de kameeldrijver, als er maar gauw een eind aan komt. Wat heel erg is, duurt niet lang, zeggen ze bij ons.

Voor één ding ben ik bang, bekende de herder. Doodgaan is niets, maar kleiner te worden gemaakt, dat is erg

Ik zou niet graag willen, dat één van mvjn handen was afgesneden, verklaarde de krokodillen jager.

Zelfs geen vinger, voegde Samba Diouf er bij, want als je duim er af gaat, is je hand niet veel meer waard.

Dat moet je niet zeggen, zei Samba Sarr. Wat een zieke boos zou weigeren, daar zou een dode heel blij mee zijn.

Vandaag zal ik dus te weten komen, of ae oude vrouwen die mij geld geleend hebben, veel hebben gebeden, dat ik weer terug zou komen om haar te betalen, en ook, of ik iets aan hun gebeden heb.

Ik heb iets veel beter dan zulke gebeden van oude vrouwen. Ik heb voor een jong kalf en een schaap een amulet gekookt van Chir Bala M'Baki, die alles weet van wat is

en van wat komen zal.

Ik, verklaarde de krokodillen jager, ik heb op mijn borst en aan mijn gordel twee amu letten, die huns gelijke niet hebben tegen de kogels en de sabels en nog een derde aan mijn arm tegen andere wapens. Maar ik zou me liever willen baden in het bloed van de Alamans (Duitsers), daarna zou ik niet meer bang zijn voor de kaaimannon in onze rivier. Want ik heb mij ingesmeerd met het bloed van de kaaimannen, dus ben ik niet bang om hier de vaders van de kaaimannen (de Duitsers) op te zoeken!

Wij zullen vandaag dus weten, wie het best beschermd is! sprak de leerling van Monseigneur Jalabert en hij maakte het teken des kruises. Maar op het ogenblik is het werk, waartoe men ons oproept, deze honden van Duitsers op de vlucht te jagen. Wees maar niet bang, korporaal! zei de colporteur uit Mandingen. Als zij ons zieti zullen zij weglopen en nog vergiffenis vragen.

Al die Alamans, riep Diouf en hun hondenzoon van een Wilhelm, moesten in het vuur omkomen, en hier op aarde en na hun dood vreselijke pijnen lijden, want het is hun schuld, dat wij zo ver van onze ouders zijn en dat wij het zo koud hebben.

Ze moesten allemaal dood zijn! hernam de korporaal. Wij moesten er geen één levend overlaten na deze strijd. Ik heb in de papieren van de Blanken gelezen, dat de Duitsers ons noemen zonen van de wouden, die onze vaders niet kennen, dat onze moeders niet getrouwd zijn, dat wij uit bloedschande zijn geboren en dat het een schande is om tegen ons te vechten. Dat zeggen die Alamans van ons.

Allen schreeuwden van verontwaardiging.

Zij hebben onze moeders beledigd. Dood moeten ze allemaal. Dat is al te erg! Boven de loopgraaf ging het vreselijke lawaai steeds voort. Samba Diouf kreeg het bevel om een briefje te brengen naar de derde compagnie, die zich aan de linkerkant bevond. Samba passeerde de Mandingen en de Toucouleurs, waaruit de vierde compagnie bijna geheel bestond en die zich in de gang opstelden voor de aanval. De angst voor het gevaar gaf aan hun gezichten een vuil-grijze kleur.

Je krijgt vandaag zeker buikpijn, lachte Diouf en je broek blijft niet droog!

Waarop de Mandingen met hun gewone lieftalligheid antwoordden: Vandaag halen ze jou de pens uit het lijf.

Ja, maar voor ze me aanraken, zijn jullie ook allemaal dood.

Hondenzoon! Jij gaat dood met je vader er bij!

En Samba die verder ging, bereikte Je derde compagnie, die hoofdzakelijk uit Baoulé's bestond; deze werden door hun bevelvoerders in de laatste loopgraaf geplaatst onder slagen en geschreeuw. Meer nog dan anders las men de stompheid op hun gezichten en van angst hadden zij hun mond wijd geopend, zodat men hun tanden zag blinken, die zaagvormig waren afgevijld.

In de holle wegen was het nu stil geworden na de beweging van daareven. Samba kwam bij zijn afdeling terug, die ook de loopgraaf verlaten had om zich achter de borstwering op te stellen. Hij nam zijn gewone plaats in tussen den kameeldrijver en den Mandingse colporteur. Deze laatste, die, alhoewel hij Mohammedaan was, zich hoe langer hoe meer liet gaan bij het genot van alcohol, vulde zijn fles met sterke drank, men had de vorige dag het rantsoen er van vergroot. Zoals de beleefdheid eist, gaf hij ze eerst aan zijn buurman om er een teug van te nemen,ledigde hem toen zelf bijna geheel en bood de rest aan Samba aan. Alles zonder een woord te spreken, want de kelen waren toegeknepen: er zou immers iets gebeuren wat men nog nooit had gezien. Samba dronk op zijn beurt uit zijn veldfles, terwijl de krokodillenjager en enige anderen van de afdeling zich streng aan de voorschriften van den Profeet hielden: zij kauwden kola-noten, die versterken de energie en stillen de honger.

Plotseling werden er handen opgeheven en geroepen: „Vooruit, jongens!" in alle talen van West-Afrika. Sommigen marcheerden ordelijk verder, terwijl zij koelbloedig nun granaten wierpen, zoals ze dat in het kamp van Courneau geleerd hedden. Maar anderen snelden als blind vooruit, wierpen zich als het ware op de dood, die zij gingen brengen of ontvangen en hieven hun krijgsgeschreeuw aan: ,,Aoua! Alaoua! Aïtia! Aïlentia!" Anderen, waarvan de superieuren reeds ter aarde lagen, dwarrelden op goed geluk tussen de vuurtongen der mitrailleurs en de ontploffingen der bommen, die de aarde en de stenen in de hoogte deden vliegen.

„Aïtia! Aïtia!" riep Samba. En hij liep recht vooruit, terwijl hij elke keer struikelde door de gaten in de grond. Maar hij richtte zich telkens weer op en ging steeds verder, soms stotend tegen andere negers, die ook vooruitstormden en zich weer oprichtten of bleven liggen. Zijn geweer had hij losgelaten en met een granaat in de ene en een sabel in de andere hand, snelde hij voort, steeds „Aïtia" roepende! Hij stak greppels over zonder zelfs op de bodem de mannen, die in grijs-groene jassen gekleed waren, te zien. Te midden van ontploffingen en van fluitende kogels om hem heen, kwam hij in de andere greppel en nu zag hij mensen, die hij niet kende. En zijn sabel zwaaiende viel hij op hen aan. Bij een straal van vuur bemerkte hij vlak naast zich den kameeldrijver, die met zijn mes werkte en die zo maar het hoofd van een groten blonden man afsloeg. Bloed spoot Samba in het gezicht en verblindde hem half, zodat hij niet kon onderscheiden, waarin hij met het mes stak.

(Wordt vervolgd).