is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1232, 26-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERTIGSTE JAARGANG No. 1112 VAN „ONS KINDERBLAADJE. VERSCHIJNT ELKE WOENSDAG. RED.-ADRES: FRANS VAN MIERISSTRAAT 108 1, AMSTERDAM.

WELKOM, VREEMDELING

Griekse sage.

Eens op een avond, lang, o, zo lang geleden, zaten de oude Philemon en zijn oude vrouw Baucis tezamen aan de deur hunner hut en genoten van de stille avond en de heerlijke zonsondergang. Zij hadden hun eenvoudig avondmaal reeds gebruikt en wilden nu, eer zij zich ter ruste begaven, een paar uurtjes van de avondrust en van elkanders gezelschap genieten. Zij praatten over hun huis en hun korenveldje, hun bijenkorven en hun wijnrank, die zo lustig opklauterde tegen de zonnige wand hunner hut en waaraan de volle trossen reeds begonnen te blauwen. Maar opeens hoorden ze een vreselijk rumoer uit het dal komen. Kinderen schreeuwden en honden basten, ja, het werd zo erg, dat op het laatst de beide oudjes met hun zwakke stemmen er niet bovenuit konden praten.

„Och, vrouwtje", zei Philemon, „daar is zeker weer een arme reiziger in het dal gekomen en in plaats dat de rijken, die daar wonen, hem gastvrijheid verlenen, hitsen zij, als naar gewoonte, de honden tegen hem op!"

'C

c

O >

£ CJ CD

P, O

ONS KINDFRBLAADJE

boter en kaas zijn goeie oudje maken kon en wat malse groenten zijn kleine tuin opleverde en hoe zielsveel ze van elkander hielden en dat ze nog maar één wens koesterden namelijk, dat zij tezamen zouden sterven, zoals zij tezamen hadden geleefd. En terwijl de oude man sprak, glansden er vriendelijke lachjes over het gelaat van den oudsten vreemdeling en was zijn uitdrukking even lieftallig als indrukwekkend. „Gij zijt een beste man", zeide hij tot Philemon, „en gij hebt een lieve vrouw tot gezellin, het is niet meer dan billijk dat de Goden uw wens vervullen." Nu dacht Philemon dat het weer helderder werd in de natuur en dat de gloed der wolken, die de ondergaande zon uitgeleide deden, een nieuwe dag schiep in de duisternis. Baucis was intussen klaar met haar toebereidselen, en in de deur tredende nodigde zij de gasten uit, en verontschuldigde zich dat zij zo weinig bijzonders opdissen kon. „Hadden wij kunnen voorzien dat gij kwaamt", zei ze, „dan hadden mijn oudje en ik wat minder gegeten om u wat meer te kunnen voortzetten. Maar nu heb ik bijna alle melk gebruikt om kaas te maken en ons brood is meer dan half op!" Gelijk Baucis gezegd had stond er slechts een karige maaltijd op de dis. In 't midden van de tafel lag 't overschot van een bruin brood, geflankeerd door een stukje kaas ter ene en een stuk honingraat ter andere zijde. Een lekkere tros druiven lag echter op de plaats van iederen gast. Een kleine aarden kruik half vol melk, prijkte op een hoek van de tafel; en toen Baucis de aarden drinkkommen had ingeschonken en voor de vreemdelingen neergezet, bleef er nog maar een bitter klein beetje melk in de kruik over. Och, het is een bedroefd geval voor goedhartige mensen, wanneer hun middelen hun niet veroorloven zoveel te geven als zij wensen!

(Wordt vervolgd.)

sd

MEI

Overal de struike' en bomen Heesters staan in 't wit en 't rose,

•Jong en fris van blad. 't Lijkt een bruiloftsfeest.

Langs de weel'ge waterzomen Is er ooit een mooier, rijker,

Spat het klare nat. Schoner stond geweest!?

't Gras broeit uit de gulle grond en Vogels schateren hun lichte 't Vee loopt in de wei — Liedren, los en blij. —

Lamm'ren dartlen in het ronde... Lach en stralende gezichten...

'tls de maand van Mei! 't Is de maand van Mei!

Luchtig waait de wind door't lover • En de gulle zon

Strooit zijn gouden pulver over —

Ruislend gaat de bron.

Door de velden, door de dreven

Zingen, jub'len wij:

Alles wordt weer licht en leven!

't Is de maand van Mei!

L.

" 5

S C3

ï> H ,H "ü fi O