is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1243, 12-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het moderoe nichtje en de ouderwetse tante

Als we het onderstaande lezen, is het opmerkelijk te ervaren, dat de taal en de mode zich sterk gewijzigd mogen hebben in de loop der jaren, doch dat het geöachtenleven van sommige mensen van toen en van nu zich langs dezelfde banen beweegt.

Het leek ons aardig deze brief als staaltje daarvan nogmaals — ongewijzigd — af te drukken.

LIEVE NICHT.

Het is hier zoo heet, dat de kraaien gapen, en ik heb het met mijn dikke lijf kwaad genoeg; anders zou ik al eens bij u geweest zijn; want men ziet je weer niet. 'tls met jou: hollen of stilstaan: dan kom je alle dag, dan is 't, of wij wild vreemd zijn, en je weet. ik kan zoo alle dag niet uit mijne drukke huishouding loopen! 'tls ook een heil eind, van Zeemansrust naar de Heeregracht, en het kleeden valt mij recht zuur in deze heete dagen, en ik zal al mijn goed, zoo benauwd steek ik er in, moeten uitleggen; nu, dan kan jij met Eet je van hiernaast mij helpen.

Maar kind, ik heb een eitje met u te schillen. Ik moet zeggen, dat mijn broers vrouw heel geheim is. Onze Gerrit zijn vrouw, jou moeder, is goed en wel; maar zii zal denken: wat zuster niet weet, zal zuster niet klappen; nu, ik kan zoo goed zwijgen als de beste; al wat je mij zegt, ligt hier begraven. Al had moeder een moord gedaan, ik zou het zwijgen. Ik ben ook, Goddank! niet nieuwsgierig naar een andermans geheimen. Ik zeg altijd: die veel vraat, liegt veel; en ook met zoo'n bewerkelijk huis, nicht! Zie, meiden zijn meiden, en onze Freêrik heeft wel een zwarten jongen noodig, om hem zijn prullen en tabaksgoed na te dragen. Hij gooit het maar neer en denkt, mijn wijf is toch eene rechte Martha. Zoodat ik weinig tijd heb, om mij met praatjes op te houden. En:

Terwijl het schaapje bleet, verliest het een beetje,

Terwijl 't vrouwtje klappeit, verliest het een steekje,

zooals mijn oude Motje placht te zeggen. Ik zeg: praten en breien.

Ja, de Amsterdamsche wereld is wat veranderd in mijn' tijd! Zag de wijze Salomon ereis op, hij zou niet zeggen: dat er geen nieuws is onder de zonne. Wel, de juffrouwen dragen manluihoeden op der hoofd. En ik zie mij stom op al die nieuwe snofjes, die er weer uitkomen. Nu, het gaat er ons land ook naar! Want de Engelschen nemen immers al weg, wat los en vast is. Ik lees druk in den Nieuws-Verteller, 't is jammer, dat er zooveel stadhuiswoorden in staan; ik begrijp het zoo alles niet. Maar ik merk wel, dat de boel in Europa vlak op zij zit. En onze Frederik zegt, dat wij aan lagerwal gestuurd worden, en hij zou er wel zoo eens een paar dozijn van die leelijkers wat balsemiek willen doen kielhalen.

Ja, ja! hij weet wel van 't Land, maar wil er nooit met mij eens over spreken. „Dat zijn geen vrouwenzaken," zeit hij dan. En dan denk ik, 'tis ook waar. Ook schrijft de krant zooveel leugens. Wel, nicht, hebben zij daar onlangs mij niet den dood op mijn lijf gejaagd, toen zij mij vertelden, dat de Engelschen te Vlissingen alles kort en klein sloegen? Ja, dat de Vloot al heel aan den Uithoorn was? En denk, ik zat evenwel moêrziel alleen voor alle Engelsche baldadigheid bloot, want mijn man is Sinjeur zelden 't huis. Zoodat, ik weet niet, hoe het zit met ons Land, en Freêrik zegt mij zoo niets.

' Maar nu zal je weer uit de nachtschuit komen en zeggen: „Heden, wat voor een geheim!"

Hou je maar niet van de mallen! Wel, dat is de druif in mijn mond, zei de smid, en hij verkocht een treeft, 't Is met jou ook zoo. Denk je niet, dat ik weet, dat je geprittendeerd wordt, en ziedaar, ik noem man en paard: van mijnheer Ryzig, wel bekend, immers zijne voorouders. Want zijne grootmoeder was Bregtje Gerrits (wist men toen van mevrouw?) Bregtje Gerrits, of in de wandeling Bregtje Kostelijk, want het was er in huis, of je zoo bij de klinkklare rijke Benisten kwaamt, zoo kostelijk was het er. Nou, als de maan vol is, schijnt ze overal.

Me dunkt, al ben ik maar je tante, en al heb ik zooveel verstand niet als je moeder, zoo had ik op dit stuk ook wel mogen geraadpleegd worden. Het is mij waarachtig niet eender, wie er zoo al maar in de familie komt.

Niet, dat ik wat tegen den jongman heb; ik heb lang in zijn moeders buurt gewoond; maar hij hield zich wel. En al droeg ik geen zak, 2) en al had ik eene muts op mijn hoofd, hij groette

') In ongeveer 1790 ging in de Amsterdamse koopmansfamilie^ het gerucht, dat de vrolijke Alida Leevencl zich zou verloven met den ernstigen jonkman Abraham Rijzig. Tante Martha schrijft haar 'n boze brief.

") Een mooie japon

(door Beitje Wolf en Aagje Deken)

ALIDA LEEVEND

buurvrouw altoos, of ik ook eene mevrouw was. Ik had dikwijls mijn' spikkel in hem. En hij schikt zich ook niet op als de meisjes, drie treetjes op een tafelbord, daar mijn kalf Mozes zoo alle duivels om uit de hel kan vloeken, as hij een jongen kerel zoo ziet kwispe^ len en op straat drillen.

Maar toch, Aal, het is je slag niet. Je weet, ik ben een flapuit, en aan jou, nicht, zeg ik het rechtuit. Hij is veel te verstandig voor jou. Hij zou gauw zien, dat jij eene huishoudster op schillen zijt.

Nou, ik zeg huishoudster tegen jou. Zoo gaan er altoos dertig in een dozijn, en dan is 't nog: hoe grooter hoop, hoe slimmer koop, zooals Jan Luiken in zijne Liefdevonken leert, meen ik, of het moest Cats wezen; nu, dat kan niet schelen. Hij zou gauw zien, dat hij bekocht was. Hij mocht wel een paardje-schijt-geld op stal, en eene koets op de stoep hebben Neen, hij dient je als een vuist in je oogen. Of Grootje Ryzig u ook achter de vodden zou zitten!Want het is eene andere haneveer als je moeder.

Ik ben er eens geweest om getuige van mijne werkmeid die lange waar-ga-je, die u altijd het hek opendoet, weet je, met die morsmouwen, en die rooie stukjes op haar' boezelaar; nu, dat is al 'tzelfde, van onze Griet, meen ik. Maar ik zag wel met een half oog, dat Grootje Ryzig een trant van eene vrouw is. En onze Griet zegt altijd, dat zij wèl genoeg is; maar dat de meiden geen tijd hebben, om een haak aan een rok, of een onnozel Vaderons te bidden. Zij is van 's ochtends vroeg in volle order: het kapje gezet, de zak aan.

Zij zei mij, dat zij al in de zestig was; maar 't is nog eene vrouw als eene zweep, en zij glimt tegen je aan. Zij breide toen haar zeven en twintigste paar fijne kousen voor haar' zoon en 't was kerjeus werk. Zij leest ook wel; nou, daar heb ik geen tijd toe; die er tijd heeft, is gelukkig. Zij leest alle morgen voor haar' zoon uit de schrift, en te acht uren is de koffietafel al van den vloer.

Nu kun je eens denken, of Grootje Ryzig en jij den mast zullen, opkrijgen. Al klom je op den haan van den Westertoren, nog zou