is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1250, 30-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrouw en Antisemitisme **» Anna v,n F

In deze verschrikkelijke tijd moet het voor elke vrouw, die menselijk voelt, wel tot de ergste dingen behoren, dat haar eigen sekse-genoten, dat de vrouwen onder de eersten zijn, bij wie de golven van haat en lust tot vervolging het hoogst gaan. En mèn vraagt zich af. is

juist de vrouw dan voor het anti-semitisme zo bijzonder toegankelijk?

De beschouwing, die haar tekent als een wezen, dat volgens haar instinct handelt, door haar stemmingen en gevoelens wordt beheerst, maakt dit meer dan waarschijnlijk.

Echter is daarom juist de vrouw, die dichter bij de natuur" staat als behoedster van het leven, van de grootste betekenis, en niets is foutiever en onrechtvaardiger dan den man bij wien het verstandelijk inzicht het meest op de voorgrond treedt boven de vrouw te stellen, die in 't algemeen meer aan haar instinctieve gevoelens gebonden is.

Maar juist dat laatste, die instinctieve gevoelens, maken de vrouw toegankelijker voor het anti-semitisme. De veelgeprezen „stem van het bloed" vindt in de vrouwenziel een maar al te waarneembare echo. Antipathieën, onbepaalde vormen van aischuw en tegenzin komen bij vrouwen meer voor dan bij mannen, die meestal gewoon zijn om hun overtuigingen en hun conclusies te toetsen aan hun verstandelijk inzicht.

Bij die algemene vrouwelijke neiging om zich open te stellen voor datgene wat tot haar primitieve gevoelens spreekt, komt nog de bijzondere aard van haar gevoelsleven, dat, zoals bekend is, veel uitgebreider en intensiever is dan dat van den man. De vrouw is in staat om zich over te geven aan wat haar gevoel haar op 'n ogenblik voorschrijft.

De man, die op 'n moment in woede ontsteekt tegen 'n vriend, verliest ook dan niet het bewustzijn van de wezen¬

lijkheid zijner diepste gevoelens en hij zal zelfs op dat ogenblik kunnen toegeven, dat zijn belediger „anders een heel fijn mens is. Bij een conflict met een vrouw is het 't ergste, dat zij alleen maar haar boosheid en niets anders kan zien, zelfs als de persoon in kwestie

„anders" tot haar beste vrienden Dehoort.

Daarom zal men begrijpen op welk een vruchtbare bodem het zaad van het anti-semitisme bij de vrouw valt.

Daarbij komt een uiterlijke eigenaardigheid, die in haar werking ook niet te onderschatten is: De vele vervolgingen en vernederingen, waaraan de Joden in de geschiedenis zijn blootgesteld, hebben uiterlijke kenmerken bij hen ontwikkeld, die afstotend werken, maar die de ziel van dikwijls zeer hoogstaande- Joden onaangetast hebben gelaten. Welnu, vrouwen stoten zich veel meer aan zulke uiterlijkheden dan mannen. Een man zal de vraag, hoe iemand bij een bepaalde gelegenheid gekleed was, meest niet kunnen beantwoorden. Hij zal ook nauwelijks in staat zijn om een zaal bf een woning, waar hij geweest is, enigszins aanschouwelijk te beschrijven.

Maar de vrouw is anders. Niet alleen maakt het uiterlijk een onmiddellijke indruk op haar, het uiterlijk is ook dikwijls voor haar de grondslag van haar mening, van haar oordeel. En omdat het tot de tragiek van het Jodendom bertüt hpt aan de vijandelijke

liUVJi U, V4WU --- -

buitenwereld dikwijls een niet-aantrekkelijke uiterlijke kant toont, en de diepste, schoonste kern van zijn wezen slechts onthult voor hen, die welwillend en geduldig opmerken, is de vrouw in het bijzonder geneigd om in de „onsympathieke" Joden geen goeds te zien.

Om al deze redenen is de propaganda van het Derde Rijk voor de vrouw bijzonder gevaarlijk. En men kan werkelijk het woord „gevaarlijk" gebruiken, èn om practische èn om ideële redenen. Wat de practische gevolgen van haar overgave aan het nationaal-socialisme is, zal in

een volgend artikel worden behandeld, een artikel over de plaats der vrouw in het Derde Rijk. Hoezeer het anti-semitisme een ideëel gevaar is, ook voor de Ariërs, dat heeft een Ariër in een onlangs uitgekomen brochurel) op de best denkbare wijze tot uitdrukking gebracht: „In een tijd, die misschien in 't geheel niet ver af is, zal elke vernederende maatregel, die men nu tegen de Joden genomen heeft, niet zozeer als een kenmerk gelden hoe 't met het Jodendom, maar veeleer hoe 't met het Christendom onzer dagen gesteld was — het Christendom, waarin zulke maatregelen mogelijk waren."

Uit „Het bezit der wereld"

Bezitten is kennen hnr,e

Ome liefde verlangt de gehele wereld: de stenen, de wolken, de hog bomen langs de weg, de hockvormige vlucht van de vogels, die ind avond heentrekken, het wuivende groen boven die muur die t?eirgeefs tracht eens anders bezit te omtuinen,Je stralende schoonheid van de bloemen, die men,

door het traliehek van dïe tuin gewaar wordt ,7ö„ • •

Naar gelang van de breedte van de vleugelslag onzer begeerten, zullen j bezitten, wat onze handen innig en eerbiedig aanraken, wf ?^e 0^e J de bergtoppen in bezit nemen, wat onze verbeelding naar huis brengt van

haar reizen door het werelddeel der fabelen i,rnnh+ nr,?P

De wereld te bezitten is een vraag van de werkzame kracht van■ on" kennis. Men bezit niet in de breedte maar in de diepte, alleen de geest dnngt door in de diepte en voor de geest bestaan geen slagbomen.

GEORGES DUHAMEL.

') Hermann Steinhausen: Het Jodenvraagstuk een Christenvraagstuk. Uitgave Vita Nova, Lusern 1939, bldz. 16.

Een neger aan de Friesche kust

Naar aanleiding van delevensschets van Harriët Beecher Stowe in het nr. van 5 Juli l.l.

Het was in de tweede helft van de 19de eeuw, dat er bij de Friesche kust een Russisch schip op een zandbank vastraakte. Aan boord bevond zich een neger, .die na zijn vrijlating dienst genomen had op dit schip. Wat wist hij van de koude landen, waar het heenvoer, hij was sterk en krachtig en wilde graag werken.

Maar het schip had met allerlei tegenspoed te kampen en het bijgelovige scheepsvolk schreef dit toe aan den zwarten „duivel", die aan boord was en hij werd door iedereen gekweld en verstoten. Toen het schip vastliep, bracht de bemanning de nacht in beschutte ruimten door, maar den neger wilde men niet toelaten. Hij moest in de bittere koude op het dek blijven, zodat zijn benen bevroren waren, toen er hulp opdaagde. Niemand wilde hem aanraken, zodat de loods en de dokter van het Friese plaatsje hem samen aan land droegen.

In het ziekenhuis werden hem beide benen afgezet, maar het zag er naar uit Hat, hii zou genezen en dan wilde

hij met houten benen bij den dokter blijven als huisknecht. Want de dokter was de eerste mens, die vriendelijk gesproken had met den armen William Bailey. „Het was een knappe grote neger", vertelde de dokter, „en ik had hem graag bij mij gehouden, want hij was zachtzinnig en trouwhartig, maar hij stierf spoedig".

Toen William Bailey gestorven was, ging de dokter naar den reder, die in verbinding stond met het Russische handelshuis, waaraan het schip, dat nog altijd in de haven lag, behoorde. Déze dwong den kapitein den neger te begraven naar de Russische kerkvoorschriften en zo vond deze, om zijn huidskleur en ras vervolgde man, een rustplaats in gewijde aarde.

E G. A. TER BRAAK—