is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1253, 20-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wettige echtgenote

door Rudyard Kipling (naverteld)

't Is jaren geleden gebeurd bij ons in Brits-Indië, ergens in de officierenkring van een garnizoen. Er was een kolonel, er waren majoors en kapiteins en luitenants, die laatste weer van verschillende rang. De meesten waren getrouwd, en sommigen hadden hun vrouwen mee naar Indië genomen. Soms kwam er een nieuwe uit Engeland, meest 'n heel jonge man, die moest wennen aan de vreemde omgeving. Niet altijd was dat gemakkelijk, want de heren en dames van het regiment stelden hoge eisen: je moest gezellig zijn, bridge en billard spelen, kunnen zingen, enz.

Eens kwam er een piepjong offlciertje aan, die deed niets van dat alles. Hij was een knappe jongen met rode wangen en een slanke gestalte, maar de officieren noemden hem om een of andere reden de Worm. Zij plaagden hem op alle manieren, maar zijn kapitein deed 't het ergst.

Nu was 't waar, dat de Worm niets deed voor de gezelligheid behalve van zijn paard vallen en zo. Maar dat werd ook vervelend. Hij had iets tegen kaartspel, hij stootte het laken van het billard stuk, hij zong vals, en hij hield zich wat apart en schreef brieven aan zijn moeder en aan zijn zusters. Dat waren heel wat misdaden, en hij werd er zonder ophouden om gehoond. Dat kan nu wel eens gezond zijn, maar 't moet ook al weer niet te erg worden. Daarbij was de Worm zo vriendelijk en hij wilde alles wel leren; daarenboven bloosde hij elk ogenblik. De kapitein was de ergste, die wachtte juist op een bevordering en bovendien was hij verliefd en wreekte nu zijn ongedurigheid op den ongelukkigen Worm.

Eén keer werd 't al te erg, ook omdat de kapitein hem voor al de officieren belachelijk maakte. Maar toen stond plotseling de Worm op en zei op zijn gewone kalme, vriendelijke toon „Het was heel grappig, maar nu wed ik om een maand salaris, dat ik u iets zal leveren, dat u uw leven lang zult onthouden, en al de anderen ook." De Worm was helemaal niet boos, ook niet, toen de kapitein hem spottend van het hoofd tot de voeten opnam en geringschattend zei: „In orde, baby." De Worm riep de overigen op als getuigen van de weddenschap en nam toen met een Innemende . glimlach z'n boek weer op.

Twee maanden gingen voorbij. En de kapitein had een ge¬

lukkige tijd. Hij werd bevorderd en hij kreeg ook het meisje, waarop hij verliefd was. Het was een aardig meisje en ze had geld van zichzelf!

Op een avond bij het begin van het hete seizoen zat er 'n heel gezelschap — officieren en hun dames — op het terras voor het clubhuis. Het strijkje had opgehouden met spelen, maar niemand had lust om naar binnen te gaan. Nu is de dwaasheid van een man, die verliefd is, heel groot. De bewuste kapitein kon maar niet ophouden met z'n verhalen over het meisje, waarmee hij verloofd was, hoe lief ze was en hoe knap, enz., enz. De dames vonden 't mooi en de heren gaapten, toen men plotseling in het donker geschuifel hoorde en men een zachte, vermoeide stem hoorde zeggen: „Waar is mijn man?"

't Is gek, maar vier mannen sprongen op, of ze een schot hadden gehoord. Drie van hen waren getrouwd, misschien dachten zij, dat hun vrouw plotseling uit Engeland was gekomen. De vierde zei later, dat hij' 't zo maar had gedaan, als iets spontaans — het kan zijn...

Toen riep de stem: „O, Lionel". Lionel was de voornaam van den bewusten kapitein. Daarop kwam er een vrouw in de Jichtcirkel van de kaarsen op de tafeltjes; zij snikte en strekte haar handen uit. Wij waren allen opgestaan, wij begrepen, dat er iets ging gebeuren en wij waren klaar om het ergste te geloven. Ach in ons slechte wereldje weet de ene mens zo weinig van het leven van den ander — dit is trouwens diens eigen zaak — dat niemand verbaasd is bij 'n ineenstorting. Elke dag kan er van alles gebeuren, en dat bij iedereen.

Welnu, de bewuste kapitein had geen gelukkige jeugd gehad en dat heeft soms slechte gevolgen. — Wij wisten niet wat er nu gebeurd was, maar wij wilden het weten en de vrouwen van de officieren wensten dit niet minder. Wanneer hij in een val was gelopen, dan was dit te verontschuldigen, want de vrouw vóór ons met haar stoffige schoentjes en grijs reiscostuum was allerliefst; ze had zwart haar en haar grote ogen waren vol tranen. Zij was lang, ze had een mooi figuurtje en in haar stem klonk de angst, zodat ieder medelijden had.

Nauwelijks was de ongelukkige kapitein van z'n stoel opgestaan, of zij sloeg haar armen om zijn hals noemde hem „mijn lieveling" en zei, dat ze niet meer alleen in Engeland kon blijven. Zijn brieven waren zo kort en zo koel, en zij was toch overal en overal

de zijne. Wilde hij haar vergeven, dat zij gekomen was?

Het zag er niet vrolijk uit. De getrouwde dames keken van onder hun wenkbrauwen naar den kapitein en het gezicht van den kolonel deed aan de dag des oordeels denken.

Toen zei de kolonel kortaf: „Wel meneer?", waarop de vrouw opnieuw begon te snikken. De kapitein stikte half onder de armen om zn hals en hij bracht met moeite uit: „Het is een vervloekte leugen! Ik ben nooit van m'n leven getrouwd geweest. „Vloek niet", zei de kolonel „maar laten wij naar binnen gaan. We moeten dit even uitzoeken". De kolonel zuchtte diep, want hij had een hoog idee over zedelijkheid!

Wij gingen dus allemaal naar binnen en nu zagen wij eerst goed, hoe mooi de vrouw was. Ze stond in het midden — aldoor snikkend

en met haar armen naar haar echtgenoot uitgestrekt en wij

om haar heen. Het was zo iets als het 4e bedrijf van een drama. Zij vertelde ons, hoe zij 18 maanden geleden tijdens zijn laatste verlof in Engeland getrouwd waren. De kapitein werd hoe langer hoe bleker, ten slotte zag hij' grauw, al probeerde hij nu en dan haar woordenstroom af te breken. Maar wij allen, hoewel wij medelijden met hem hadden, vonden hem toch een monster om zo te handelen tegenover dit mooie schepseltje.

Nooit zal ik dat toneel vergeten. De kolonel scheen op eens vijf jaar ouder. Een van de majoors hield z'n hand boven z'n ogen en fixeerde de vrouw daar onder uit. Een ander beet op z'n snor en

Zij snikte en strekte haar handen uit.

glimlachte rustig, als keek hij naar een toneelstuk. En de hond van den kapitein rende om ons heen om insecten te vangen. Ik zie 't allemaal voor me, alsof ik de foto er van in mijn hand hield. De kapitein zelf keek, of hij een spook had gezien. Het geheel was zo iets, of er iemand werd opgehangen; alleen was dit veel interessanter.

Ten slotte zei de vrouw — blijkbaar als uiterste bewijs —dat haar man de letters F. M. op zijn linkerschouder had getatoueerd. Nu wisten wij allen, dat de kapitein die letters werkelijk op z'n schouder had en voor onze onschuldige zielen was dit het meest klinkende bewijs, dat de vrouw waarheid sprak.

Maar een van de ongetrouwde majoors zei heel beleefd: „Het komt mij toch voor, mevrouw, dat 't nog beter zou zijn, wanneer u uw trouwbewijs liet zien".

Toen zei de vrouw boze woorden, eerst tegen haar man, maar ook tegen den majoor en den kolonel en tegen ons allemaal. Zij begon weer te snikken, maar haalde ten slotte een papier uit haar japon en zei trots: „Hier, pak dat aan! En laat mijn man, waarmee ik wettig getrouwd ben, het hardop voorleren — als hij durft."

Even waren wij stil. Toen keken wij elkaar aan, want de kapitein kwam wankelend naar voren en nam het papier aan. Wij bleven staan kijken en velen van ons dachten, oi ons misschien ook zo Iets in de toekomst te wachten stond.

De ogen van de kapitein — hij zag en ellendig uit — vlogen over het papier en opeens barstte hij uit in ee« schor gelach van opluchting en riep tegen de vrouw: „Jij afschuwiijke deugniet". Maar de vrouw was de deur al uit. Op het papier stond geschreven: „Dit