is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1261, 15-11-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kinderhuis aan zee

HELENE KELLER (Vervolg.)

Haar juffrouw had als gewoonte aangenomen altijd tot Helese spreken of ze een normaal kind was en spelde haar alles in de hand. Deze gewoonte heeft ze jarenlang volgehouden; daardoor leerde het doofstomme meisje alle uitdrukkingen, die in een eenvoudig, dagelijks gesprek voorkomen..Het gewone kind leert dit door luisteren, herhalen en napraten. De gesprekken, die het hoort, vermeerdert zijn woordenschat. Deze gedachtenwisseling wordt aan het dove kind onthouden. Om daaraan tegemoet te komen, vertelde haar juffrouw haar woordelijk wat er om haar heen gezegd werd, zodat ze het gesprek kon volgen. „Het duurde lang," zegt Helene, voor ze dorst mee te praten, want een doof en blind kind kan niet de toon, waarop iets gezegd wordt vernemen en ook niet zien wat voor indruk woorden maken. Nadat ze reeds lang woorden in de hand kon spellen, leerde ze het blindenschrift. Op strookje papier werden de letters in blindenschrift tot woorden samengevoegd. Naast een pop kwam toen een strook met de letters p-o-p. Deze letters waren in het papier geperst en lagen aan de achterzijde als 't ware boven op 't papier en konden betast worden. Zo had ze zelf op haar boezelaar op een goeden dag een strook met erop: „meisje" vastgespeld. Ze kroop in de klerenkast en zette buiten op de kast op een strook: „Is in klerenkast". Uren en uren speelde Helene zulke spelletjes met haar juffrouw en daar leerde zij oneindig veel van. Door het lezen van papierstroken in blindenschrift kwam ze spoedig tot het lezen van boeken in blindenschrift.

Helene kreeg haar meeste lessen in de natuur. Alles wat het veld en bos opleverde werd haar in de hand gelegd en in de hand geschreven. Soms ging Helene alleen in de tuin en hoe gelukkig was ze als er vruchten van de boom voor haar voeten rolden en als ze ze opgeraapt had, voelde, hoe warm ze nog van de zonnestralen waren. Soms ging ze met haar juffrouw naar de oevers van een meer, daar mocht ze in het zand, rivieren, meren bergen, dammen enz. maken. Ze wist niet, dat ze dan lessen kreeg in aardrijkskunde, want ze deed dit alles alsof het een spelletje was. Haar juffrouw vertelde haar dan hoe het er in de grote wereld uitzag. Ook maakte de juffrouw uit klei reliefkaarten met bergen en riviêren en steden, die Helene door het betasten leerde kennen.

Boeken nam juffrouw Sullivan ook mee in de natuur. En als er iets was, waar Helene wat van wilde weten, las de juffrouw haav daarover een geschiedenis of een gedicht voor. Zij waren samen liever in het zonnige bos dan in een kamer. Al haar lessen werden gekruid door de lucht van de geurige bossen. De fijne harslucht van de dennebomen vermengd met de geur van de wilde wingerd. Zij schrijft in haar levensbeschrijving, dat zij onder de kostelijke schaduw van een tulpenboom, de lieflijkheid der dingen leerde kennen. Alles wat daar zoemde, bromde, zong, bloeide in de natuur had ze waargenomen. Ze kon het geluid door de trillingen aanvoelen. Kwakende kikvorsen, krekels, hield ze zolang in de hand tot de beestjes rustig werden en zij hun geluid lustig rond zonden. Kleine kuikens en wilde bloemen, alles kreeg ze in de hand door haar juffrouw en betastte

ze voorzichtig. Zij voelde dit alles, zelfs ook het ruisen van de wind en de korenvelden, het zachte fluisteren van het groen der bomen en het onwillige snuiven van haar ponny, wanneer ze hem in de weide opving en het gebit aandeed. Zij was zo verrukt van alles wat ze kon waarnmen in de natuur, dat ze er heel gelukkig over vertelt. Het leven te midden van bos, veld en weide was een feest voor haar. Ze beschrijft ook hoe heerlijk ze 't aan zee vond.

Op een keer reisde ze daarheen. Ze had in een boek een beschrijving van de Oceaan gelezen en verlangde hartstochtelijk die te benaderen, het water te voelen en het gefuis te bespeuren. Dadelijk had ze na aankomst een badpakje aangedaan en was zonder enige vrees in het koele water ondergedoken. Zij voelde de machtige golven zich verheffen en weer neerzinken. Die schommelende beweging van het water verrukte haar. Maar opeens week haar grote vreugde voor een nameloze angst, haar voet stootte tegen een rots en het volgende ogenblik stortte zulk een stroom water over haar hoofd. Zij stak haar handen uit om een steun te vinden, maar greep in water, en pakte drijvend zeewier beet, dat in haar gezicht geslingerd werd. Al haar wanhopige pogingen waren vruchteloos. De golven speelden een spel met haar en wierpen haar in hun wilde bruisen van d« een naar de ander. Het was vreeslijk voor haar. De goede, stevige aarde was onder haar voeten weggegleden, en het scheen haar of ze van alles was afgesloten van leven, lucht, warmte, liefde, door dat wilde element, dat haar geheel omgaf. Eindelijk wierp de zee haar, alsof zij het spelen met haar speelgoed verder moe was, op het strand en in 't volgende ogenblik lag ze in de stevige armen van haar juffrouw. O, dat was een verrukkelijke ondervinding, die lange, omhelzing. Toen zij pas van haar schrik bekomen was, vroeg ze: „Wie heeft eigenlijk het zout in de zee geschud?"

Welk antwoord ze kreeg vermeldt zij niet. Maar dat is te begrijpen.

Nadat ze deze kennismaking met het water in de zee goed had doorstaan, genoot ze er van in haar badpakje op de rotsachtige kust te zitten om telkens te voelen hoe de branding van de zee de rots deed schudden en zo nu en dan het schuim van de hoogopspattende golven over haar heen gingen. Zij bespeurde hoe de kiezel met het water met de golven mee wegspoelden. Zij gevoelde de branding en bleef ademloos er naar luisteren, niet met de oren maar met haar gehele lichaam, dat de trillingen van de rots waarnam.

De heerlijke, frisse, klare zeelucht werkte als koel rustig denken op haar en de schelpen, de kiezel en de zeedieren hadden een grote aantrekkingskracht voor haar. Op een goede dag vond ze een krab. Zij betastte het dier en vond 't wonderbaarlijk, dat hij zijn huis op zijn rug droeg. Zij dacht opeens, dat het leuk speelgoed vooi haai kon zijn en nam hem mee naar haar huis. Ze had heel veel moeite gehad hem zo ver te slepen, want hij was zwaar. Ze was echter trots dat ze dit bereikt had. Zij rustte niet, tot dat juffrouw Sullivan hem in een bak, dicht bij een bron in het water geborgen had. Nu was hij zeker naar zijn zin verzorgd. Hoe groot was haar verbazing toen zij de volgende morgen het dier niet meer vond. Ze was erg teleurgesteld, maar ten slotte begreep ze, dat 't niet verstandig was, dit arme stomme dier uit zijn element te halen en na enige tijd voelde ze zich weer gelukkig als ze dacht, dat het hem waarschijnlijk gelukt was, in de zee terug te keren.