is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1264, 06-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De les van twee verminkte bloempjes op mijn schrijftafel

Voor mij op mijn schrijftafel staat in een klein vaasje een tuiltje van twee anjers met wat groen erbij.

Zij vormden een versierinkje voor haar, die deel namen aan een maaltijd en het opspeldden.

Toen ik thuis kwam, bekeek ik het aandachtig, zag, dat de bloempjes stevig vastgebonden waren met wat stalen draden, die ze vast omsloten. Toen probeerde ik ze los te maken, maar dat lukte niet. Toen zette ik ze in het vaasje, vulde het met water. En ze zogen het op.

Toen ik de volgende morgen naar ze keek, hadden ze bijna alles opgeslurpt, zodat ze er wat verlept uitzagen. Ik vulde bij en in korte tijd hadden de bloemblaadjes weer al hun frisheid en behielden die een paar dagen als ik maar het vaasje weer vulde. Peinzend keek ik toe. Welk een kracht huisde er in die bloemen, al waren ze kort afgeknipt, en door ijzerdraadjes zo gebonden, dat ze geen enkele beweging maken konden, en stijf rechtop moesten blijven staan.

Zij gehoorzaamden aan de drang tot leven ondanks alles. Zij overwonnen de metalen draadjes, die hen gevangen wilden houden. Zij ontvouwden hun tere

bloemblaadjes, luisterden naar het machtige in hen, gehoorzaamden de drang tot zich spreiden en waren overwinnaars in de strijd tegen het klemmende ijzer, dat de steeltjes omvatte, waaruit zij zich geheven hadden, voor zij afgesneden werden en omvat door dat klemmende.

Ik peinsde en peinsde en de twee bloemen werden tot een symbool in deze tijd met al zijn dreigingen, al zijn dwang, al zijn verschrikkingen, al zijn onderdrukkingen, al zijn gevangenissen, zijn vervolgingen.

Het was mij of die afgeknipte anjers, stevig door den bloemist gebonden, iets

predikten van machtige betekenis.

„Zie", zeiden zij in hun bloementaal, „wij werden verminkt, en bloeiden toch, en hielden vol, en dronken het water, en

wenaaen ons tot het licht. Het ijzer kan ons omklemmen, maar niet doden. Want in ons was de kracht tot leven. En elke dag ging de zon op en haar licht kwam tot ons. Wij gehoorzaamden aan eeuwige wetten, door geen klemmend ijzer te vernietigen."

Iets van sterkende kracht ging er van deze geschonden en vastgeklemde bloemen op mijn schrijftafel uit.

Mensën kunnen tot vervolgers van mensen worden. Maar in de gepijnigden en verminkten werkt toch de kracht, die machtiger is dan vervolging en verdrukking: het mysterie van het ongeziene, waaruit de wonderen ontspringen, die het omklemmende overwinnen.

IDA HEIJERMANS.

FILMRUBRIEK

DE „BESTSELLER"

„Goodbye Mr. Chips" en „Levensavond"

De boekhandel kent de „best seller"; het Is het boek, dat op een ogenblik sterk de aandacht trekt, en zeer veel wordt verkocht. Waarom juist dat boek plotseling in het middelpunt van de belangstelling staat, is meestal moeilijk te verklaren; men weet niet, of de titel, het onderwerp, of de vormgeving het „doen"; opeens is er hèt boek, waarover men spreekt.

De „filmhandel" kent ditzelfde verschijnsel. Zo is „Goodbye Mr. Chips" in de afgelopen weken de „best seller" geworden.

Mr. Chips (eigenlijk héét hij Mr. Chipping) wordt ons voorgesteld, wanneer hij zijn leven reeds achter de rug heeft: een oude man met een fladderende toga, wilde grijze haren en een vriendelijke blik over zijn bril. De regisseur zet hem ons meteen op zijn juiste plaats voor: een man, tientallen jaren lang aan een Engelse jongens-kostschool verbonden, naar wie de genegenheid van generaties uitgaat, een figuur zonder welke „Brookfield School" niet denkbaar is.

Deze oude Mr. Chips zet zich in zijn leunstoel bij de haard en in zijn droom komen de herinneringen, die hij uit meer dan zestig jaren behield. Want voor dezen tachtigjarige is het leven pas begonnen, toen hij als heel jong leraar het schoolgebouw binnenging; zijn jeugd is uitgewist en was waarschijnlijk niet meer dan een voorbereiding tot dat doel.

Wij zien de diepe teleurstelling, welke het begin van zijn loopbaan hem brengt: hij kan de orde in zijn klas slechts verkrijgen door een meedogenloos streng optreden, waardoor het hem niet gelukt de liefde van zijn leerlingen te winnen.

Gedésillusionneerd, wordt hij een gesloten man, die wantrouwend en onhandig tegenover het leven staat. Tot de jonge vrouw, die hij op een buitenlandse reis ontmoet, hem het zelfvertrouwen en inzicht geeft, waardoor hij het vertrouwen van de leerlingen wint. Na haar dood wijdt hij zich geheel aan „zijn" jongens. Generaties trekken langs Mr. Chips, maar de verandering der tijden is binnen de muren van „Brookfield School" alleen merkbaar aan de verandering in de „schoolpetten" der jongens. Duizenden jongens met goede en slechte eigenschappen en eigenaardigheden komen en gaan; hun stemmen zeggen „Goodbye Mr. Chips", woorden, die in hun eindeloze herhaling tot een vertrouwde klank worden, welke Mr. Chips op zijn sterfbed als het laatste bereiken.

Het verfilmen van deze „geschiedenis", welke is gebaseerd op de voor buitenstaanders moei-

iijk te Begrijpen Engelse tradities, was een zware opgave. De eerbied, waarmee de Ameri¬

kaanse regisseur Sarn Wood, zich van deze taak heeft gekweten, is bewonderenswaardig. Zijn werk ademt de sfeer van de Engelse school, waarin het werd opgenomen. Robert Donat geeft een prachtige creatie van den zeerbescheiden, beminnelijken en geestigen Mr. Chips. Hier worden wij weer even verrast door de mogelijkheid van de film om zonder schokken of grote overgangen een geheel leven te omsluiten. Slechts aangeduid door een voortdurend défilé van altijd-weer-andere leerlingen verglijden de jaren; bijna onmerkbaar wordt Mr. Chips ouder. Even ongemerkt glijdt dit leven over in de dood en daarmee is de film, die in alle opzichten verdient een „best seller" te zijn, ten einde.

Het is echter jammer, dat deze „best seller" alle andere films op de achtergrond dringt. Zo bleef Julien Duvivier's bekroonde film „Levensavond", die in de Residentie zeer de aandacht trok, in de hoofdstad bijna onopgemerkt.

De film van Sam Wood moge. omdat wij nog nimmer werk van hem zagen, dat de moeite waard was, een verrassing zijn, „Levensavond", na Duvivier's vorige werk „Mist" (dat wij enige maanden geleden onder deze rubriek bespraken), moge enigszifts teleurstellen, dat is geen reden, dat de eerste van deze twee films, die beide zeer goed geslaagd zijn, de laatste geheel in de schaduw stelt. t

Duvivier voert ons in „Levensavond" een rusthuis voor oude toneelspelers binnen. Sommige van hen kunnen zich niet schikken in het bestel der dingen, dat hen hier terecht deed komen, en hun opstand tegen de harde werkelijkheid vormt de inhoud van deze film.

De opstandigen zijn Cambrissade, die invaller was voor een beroemd acteur, die nimmer uitviel, en wiens successen dan ook alleen bestaan in zijn eigen verbeelding; Cambrissade tracht voortdurend de ouderdom te ontlopen door „jeugdige" streken uit te halen, tot hij zichzelf door een samenloop van omstandigheden niet meer kan „foppen", en de dood hem wegneemt uit wat de verschrikking van zijn leven was. Vervolgens Marny, een groot acteur, die door het publiek werd miskend, die bovendien nimmer zijn vrouw heeft kunnen vergeten, die hem voor een collega heeft verlaten, en wiens verschrikkelijk vermoeden, dat zij zelfmoord pleegde, bewaarheid wordt. Deze collega is Sint Clair, die in het begin van de film zijn intrede in het tehuis doet, en die met behulp van zijn fantasie aan zijn lot tracht te ontkomen, tot men zijn geloof aan eigen fantasieën aan het wankelen brengt, en een laatste wanhoopsdaad (hij tracht een jong meisje over te halen voor hem zelfmoord te plegen, om de buitenwereld en zichzelve het bewijs te leveren van zijn onverminderde macht over de vrouwen en zo zijn zelfvertrouwen te herwinnen) hem tot krankzinnigheid drijft.

De grauwe achtergrond van deze figuren wordt gevormd door hen, die schijnbaar hebben leren berusten; maar als des avonds de musicus zich voor de piano weer op het concert-podium waant en het ijle, gebarsten stemmetje van de zangeres door de gezelschapskamer klinkt, dan valt de stilte, waarin herinneringen schrijnen.

De tragiek van deze vergeten artisten was zo sterk, dat Duvivier geheel door hen in beslag genomen werd; zo zeer boeiden hem hun lotgevallen, waarvan hij films maakte, dat hij de dingen verwaarloosde, die film zijn en waarin hij in „Mist" zulk een grote aandacht besteedde, dat velen hem een gebrek aan „inhoud" verweten. Door zijn voortdurende concentratie op de acteurs, werd elke rol voortreffelijk opgebouwd, evenwichtig, harmonisch, met teenemende beklemming. Hij zette hen elk op hun eigen plaats, zonder zich te laten verleiden een bepaalde figuur op de voorgrond te schuiven. De spelers voegden zich voortreffelijk naar zijn leiding. Michel Simon gaf een uitmuntende uitbeelding van den altijd-jeugdige Cambrissade; Victor Francen maakte van Marny een verbitterde figuur; Jouvet gaf prachtig de overgang van Saint Clair van fantasie naar waanzin.

De begrafenis van Cambrissade, die zijn eigen grafrede schreef, wordt, als een aangrijpende getuigenis van de grote liefde, welke elke artist voor het theater voelt, een voortreffelijk slot van een film, die toevallig(?) geen best seller werd. VISIE.