is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 1, 1930, no 5, 15-11-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat daarna nog Mw. v. d. Hoeve over het bestaansrecht der nieuwe vereeniging heeft gesproken wordt er pauze gehouden. Het strijkje Iaat zich weer hooren, verscheidene jonge dames presenteeren thee met gebak en vele belangstellenden uit de vergadering maken gebruik van de gelegenheid om zich op te geven als lid. Ik meen dat er wel 30 nieuwe leden toegetreden zijn. Dat geeft, mèt de resultaten van den landdag dezen zomer in het schoone park van Mw. v. d. Bergh, een belangrijke versterking vooral van de Haagsche afdeeling.

Na de pauze bespreekt de heer Hogendijk, commissaris bij de zedenpolitie te Amsterdam de taak der vrouw bij de politie. Wij hopen in een volgend nummer zijne beschouwingen daarover te kunnen publiceeren.

Tot slot van den avond kregen we een film te zien, die een indruk gaf van wat vrouwen in Berlijn op dit gebied doen.

De film, die op het internationale congres van den Wereldbond, verleden jaar in Berlijn gehouden, ook vertoond is, geeft een levendig beeld van de gevaren van de groote stad voor het ijdele jonge meisje in het groote warenhuis, 't kind dat zoo dol is op auto-rijden en zich zoo parmantig laat rondtoeren door de schoone omgeving van Berlijn. Maar, om tot dat ritje te kunnen geraken grepen vooraf vlugge vingers tersluiks in de kassa en namen de blinkende marken uit de lade.

Maar de vrouwelijke politiebeamten speuren haar op als ze na haar rit de kermis bezoekt en zorgen er voor, dat ze in een rustige, strenge omgeving onder naarstigen arbeid tot inkeer komt. Na een jaar komt ze bij haren chef terug, de politiebeambten houden nog een oogje in 't zeil, „und nie wollte Lotte wieder autofahren".

Verschillende dergelijke episoden werden op het witte doek vertoond en overal was de vrouwelijke politie met veel takt en bekwaamheid doende hare verdoolde zusteren weer op 't rechte spoor te brengen.

De conclusie was: vrouwen verstaan en begrijpen vrouwen beter, voor een zoo goed mogelijk functionneerenden politiedienst die niet alleen straffen, maar vooral weer op den goeden weg wil brengen, zijn dus vrouwen onontbeerlijk, hebben vrouwen een prachtige taak te vervullen.

Deze avondvergadering is een zeer goed geslaagde inzet geweest voor onze winterkampagne. Wij hopen, dat zij door meerdere, ook zoo goed bezette bijeenkomsten op vele plaatsen in ons land gevolgd zal worden.

S. v. d. H.—B.

DE ARGUMENTEN WELKE TEGEN DE BENOEMBAARHEID DER VROUW TOT HET NOTARISAMBT WORDEN AANGEVOERD.

Waar de vrouwelijke candidaat-notarissen het zeer op prijs stellen, dat Uwe Vereeniging onze poging wil steunen om de op handen zijnde wijziging der Notariswet tevens dienstbaar te maken aan de opheffing van eiken eventueel nog bestaanden twijfel aan onze benoembaarheid tot notaris, voldoe ik gaarne aan Uw verzoek een korte uiteenzetting te geven van de argumenten tegen de benoembaarheid van de vrouw tot notaris aangevoerd.

Laat ik echter voorop stellen, dat steekhoudende argumenten voor de niet benoembaarheid van de vrouw tot notaris m.i. niet meer in de Wet te vinden zijn. Deze argumenten

zouden toch in de eerste plaats moeten worden gezocht bij de vereischten, welke de Wet voor de benoembaarheid stelt.

Artikel 10 der Notariswet nu stelt geen andere vereischten, dan dat men moet zijn: Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten, vijf en twintig jaar oud, van een goed zedelijk gedrag, het examen van candidaat-notaris met goed gevolg moet hebben afgelegd en daarna een werktijd van drie jaren op een of meer notariskantoren moet hebben volbracht.

Alle voorwaarden dus waaraan zoowel de mannelijke als de vrouwelijke candidaat-notaris kan voldoen.

Vóór de verkrijging van het kiesrecht was dit anders en het aangevoerde hoofdargument tegen de benoembaarheid was toen altijd: de vrouw is niet in het volle genot der burgerschapsrechten, dus niet tot notaris benoembaar. (De voorstanders redeneerden echter in het „volle genot" beteekent voor zoover men die rechten kan hebben).

Toen dit argument door de verkrijging van het kiesrecht was vervallen, werd nog tegen de benoembaarheid aangevoerd dat, waar volgens artikel 23 der Notariswet de getuigen bij een notarieele akte moesten zijn van het mannelijk geslacht, de notaris als voornaamste getuige zeker geen vrouw zou kunnen zijn.

Bij de indiening van het z.g. getuigen-wetje door Minister Heemskerk in 1921 werd van verschillende zijden opgemerkt, dat, indien de Notariswet in dien zin werd gewijzigd, dat ook de vrouw als getuige bij de notarieele akte zou kunnen optreden, het laatste argument tegen haar benoembaarheid hierdoor zou zijn vervallen.

Zijne Excellentie Minister Heemskerk heeft daar blijkbaar ook zoo over gedacht, want zijn antwoord op deze rekesten was, dat hij het ontwerp in 1924, als hebbende dit een verdere strekking, dan door hem bedoeld, heeft ingetrokken.

Toen de tegenwoordige Minister van Justitie dit ontwerp weer aan de orde stelde, heeft Zijne Excellentie voormelde gevolgtrekking gecoupeerd, door in de Memorie van Toelichting uitdrukkelijk te zeggen, dat bij de aanneming van dit wetsontwerp geen enkel argument voor of tegen de benoembaarheid van de vrouw tot notaris zou worden geschapen. Bij de tot standkoming van dit wetsontwerp zijn toen wel eenige artikelen gewijzigd — zoo wordt b.v. nu in artikel 22 gesproken van de „vrouw" van den notaris in tegenstelling van de „echtgenooten" der getuigen — waaruit men zonder deze: uitdrukkelijke verklaring, weer een argument zou kunnen putten tegen de benoembaarheid.

Het eenige argument wat thans nog bestaat, is de betwisting op grond van het feit, dat men bij de tot standkoming der Wet in 1842, niet aan een vrouwelijke notaris heeft gedacht, wat ieder zal moeten toegeven. Maar dit kan toch in den tegenwoordigen tijd niet als ernstig argument worden opgevat.

Waar echter Zijne Excellentie, de Minister van Justitie, uitdrukkelijk heeft verklaard, zonder wetswijziging, zeker niet tot benoeming van een vrouw te zullen overgaan, hopen wij van ganschen harte, dat thans deze gelegenheid zal worden te baat genomen om eindelijk aan dezen onzekeren toestand en de onbillijke gevolgen welke daaruit voortvloeien een einde te maken.

Want niet alleen, dat de vrouwelijke candidaat-notaris onder de tegenwoordige Wet niet tot notaris wordt benoemd, ook als candidaat heeft zij thans niet dezelfde rechten als haar mannelijke collega's. Een mannelijk candidaat-notaris n.i. die drie jaar op een kantoor is werkzaam geweest, mag als plaats-