is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 1, 1930, no 6, 15-12-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vrouw het huis was" een dergelijke huwelijkswet begrijpelijk, niet te verdedigen is de handhaving ervan thans. De maatschappelijke en economische ontwikkeling hebben werkkring en horizon der vrouw verruimd. In maatschappij en staatkunde is zij als een gelijkwaardige en gelijk berechtigde persoonlijkheid naast den man komen te staan. Daarmee is volkomen in strijd en beneden de waardigheid der hedendaagsche vrouw dat zij in de huwelijkswet nog steeds wordt behandeld als een in alle opzichten aan den man onderworpen wezen, aan wie geen medezeggingschap in de beslissingen omtrent het gezin gegeven kan worden.

Onze nieuwe vereeniging zal dus gelijk de beide oude vereenigingen waaruit zij is ontstaan, in de eerste plaats moeten werken voor een rechtvaardiger huwelijkswet. Een wet, die uitgaande van beider gelijkwaardige doch verschillende taak in het gezin, beider rechten en plichten erkent.

Er zullen onder onze leden zijn die vragen: „Is dat nu nog wel noodig?

Dat was goed in de oude dagen van onderdrukking der vrouw, doch thans nu zij overal wordt erkend als gelijk gerechtigde van den man, is dat niet meer noodig.

Bovendien is er toch een ontwerp Huwelijksvermogensrecht van minister Donner, dat het oude en verouderde recht wil vervangen door een moderner regeling".

— Inderdaad — dat ontwerp is er. Maar dit zal ons niet brengen tot het door ons gewenschte doel.

Het wil slechts de vrouw meerdere waarborgen geven tegen misbruik van macht van den man — let wel — alleen in het huwelijksvermogensrecht.

Het laat echter het fundament van onze huwelijkswet — zoowel in de verhouding der echtgenooten onderling als tot hun kinderen — onaangetast.

Dat wil dus zeggen dat de maritale macht gehandhaafd blijft — Het gezag van den man als hoofd van 't gezin, aan wien het beslissingsrecht in alle gezinsbelangen behoort.

Nu staat het voor ons vast, dat dit fundament niet meer deugt.

Dat dit behoort te worden vervangen door een beginsel meer van dezen tijd — n.1. de gelijkwaardigheid en gelijkberechtigdheid van beide seksen.

En hoe kan, waar o.i. het fundament niet goed is, het huis zelf — de wet daarop opgetrokken, deugdelijk zijn? 't Ontwerp is te beperkt van strekking en uitvoering.

Er is meer dan ooit thans voor ons reden om op onze post te staan, en te protesteeren tegen het onrecht dat de huisvrouw en moeder wordt aangedaan.

Zeker, het ontwerp Donner brengt verbeteringen in het bestaande stelsel voor de vrouw. Als dit ontwerp wet wordt, krijgt ze mede-invloed op het beheer en de beschikking der gemeenschappelijke goederen, en controle op het beheer van den man.

Dat is iets — maar lang niet genoeg. Evenals in financieele aangelegenheden van het gezin, behoort de moeder in andere even gewichtige gezinsbelangen — zoo b.v. opvoeding, vakopleiding, verblijf der kinderen een wettelijk recht te bezitten om tezamen met den vader te beslissen.

En nu kan men wel redeneeren, dat het niet zoo erg is als in dezen de wet achterblijft bij de zeden. Omdat juist in de verhouding van man en vrouw de zeden veel meer dan de wet gewicht in de schaal leggen.

Maar dan vergeet men, dat dit alleen waar is voor harmonische huwelijken waarin beide echtgenooten alle belangrijke gezinsbelangen met elkaar overleggen. Niet echter in echtvereenigingen, waar herhaaldelijk ernstige conflicten voorkomen. In dergelijke huwelijken zal de man gelijk thans ook in de toekomst de opvatting der vrouw kunnen negeeren, en tegen haar wil voor het gezin schadelijke beslissingen nemen. En evenals thans, zal zij dan geen beroep kunnen doen op een onpartijdigen derde.

Inmenging'van derden in familie-aangelegenheden kan niet als bezwaar daartegen aangevoerd worden. Immers wordt in 't ontwerp Donner dit recht van beroep aan de vrouw wel gegeven in financieele belangen.

't Is dus de maritale macht, die daarvoor in den weg staat — en die o.i. in een nieuwe moderne regeling, niet meer thuis behoort.

In geen der moderne huwelijkswetgevingen in het buitenland wordt deze gehandhaafd, zooals in 't Nederlandsche ontwerp.

We vragen ons af — hoe het mogelijk is, dat nog zoo vele vrouwen onverschillig blijven voor dat deel van het familierecht, dat de kern vormt van haar wezen: het moederschap.

Berust die onverschilligheid op onkunde omtrent de wettelijke regeling — of op de overtuiging dat in haar persoonlijk geval — zij geen schade zal ondervinden van een onrechtvaardige wet — omdat haar invloed op haar man daarvoor een waarborg is?

We weten het niet.

Maar wel dat in beide gevallen het onze taak is haar voor te lichten.

We moeten haar er op wijzen, dat zoo de hardheid der wet jegens de moeder haar persoonlijk niet deert, er des te meer reden voor haar bestaat, om in het belang harer ongelukkiger zusters mee te werken voor een rechtvaardiger huwelijkswet.

Ja, we zouden nog een stap verder kunnen gaan. We kunnen gerust zeggen dat het de schuld is van al deze onverschilligen, dat thans nog een minister van Justitie kan komen met een herziening der huwelijkswet, die niet vastlegt het recht der vrouw op medebeslissing in gezinsbelangen.

De vrouwen vormen toch de meerderheid van ons volk, en hebben als kiezeressen direkten invloed op de wetgeving.

Wat kennen vele vrouwen toch haar recht — en verantwoordelijkheid nog slecht! Verantwoordelijkheid — ja zeker — want op die onverschilligen rust voor een deel de verantwoordiging voor handhaving van een wet, die oorzaak is van het leed in tal van gezinnen.

Een leed, veroorzaakt door het optreden van een slechten vader, aan wien de wet te veel macht heeft gegeven, ten koste van vrouw en kinderen!

Zou een meerderheid der vrouwen, daarin gesteund door tal van mannen aandringen op moderniseering ook van dit deel van de wet — geen minister van Justitie zou in staat zijn dien aandrang te weerstaan.

Wat wij wenschen is dus een regeling, die uitgaat van de verschillende taak in het gezin van vader en moeder, doch die aan beiden gelijkelijk rechten en plichten geeft 'k Ben overtuigd dat in een vereeniging als de onze deze stelling die als eerste punt op onze beginselverklaring staat, weinig bestrijding zal vinden.