is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 2, 1931-1932, no 9, 15-02-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het symptoom Famke is van weinig belang en wij kunnen ook volkomen begrijpen, dat het bestuur van de Haagsche afdeeling van den Vrijheidsbond het niet noodig achtte in de dagbladpers een uitvoeriger tegenspraak te plaatsen. Nu de indiscretie eenmaal is begaan, zouden wij het toch zeer op prijs stellen te mogen vernemen:

1°. of Jhr. Mr. Dr. van Beresteyn in zijn inleidend woord o.a. heeft gezegd, dat onder partijgenooten (?) dc waardeering van nieuwe en andere inzichten (lees: Famke's inzichten) geheel strookt met de liberale opvattingen;

2°. of Mevr. Boon-van der Starp, nog wel „met nadruk", heeft gezegd, dat het eerste feminisme gekomen is, toen het komen moest, en dat het oud-feminisme nu helaas maar doorholt, terwijl ook het nieuw-feminisme is gekomen, omdat het komen moest.

Deze beide gedeelten uit het verslag in het ochtendblad zijn, naar thans reeds vaststaat, onjuist en onvolledig weergegeven. Gaarne zagen wij echter de puntjes op de i's gezet en vernamen wij het juiste oordeel van de beide bovengenoemde vooraanstaande leden var, den Vrijheidsbond over het nieuw-feminisme, bijv. in ons blad, waartoe de Redactie zeker gaarne plaatsruimte beschikbaar zal stellen. Er is helaas aanleiding tot deze vraag, omdat liberale Gemeenteraadsleden hier en daar geneigd schijnen te zijn om, geheel in Famke's lijn, vóór het ontslag van de gehuwde ambtenares te stemmen. In de openbare vergadering van de afdeeling Rotterdam onzer Vereeniging op 21 October j.1 heeft de heer D. Hans, een liberaal voorstander van dien maatregel, gezegd onder zijn partijgenooten talrijke „stille" medestanders te hebben, die daarvoor wel binnenskamers, doch om tactische redenen niet in het openbaar wilden uitkomen. Nu een dergelijke atmosfeer bezig is zich te vormen, zou het heilzaam zijn indien zij door een openlijke verklaring gezuiverd werd. Wij mogen er Famke dankbaar voor zijn, dat zij ons een aanleiding heeft geboden om daarop aan te dringen.

Mr. D. J. VEEGENS.

HERNIEUWDE STRIJD OM DE VROUWELIJKE NOTARIS.

In het nummer van 15 April 1931 van „Vrouw en Gemeenschap" schreef ik de optimistische verwachting neer, dat het initiatief-voorstel van onze Vice-Presidente, mevr. mr. Bakker-Nort c.s. tot het buiten twijfel stellen van de benoembaarheid der vrouw tot notaris in de Tweede Kamer een goede kans van slagen zou hebben. Wie thans echter het Voorloopig Verslag over dit wetsontwerp leest kan kwalijk nog dat optimisme behouden. Het lijkt wel of principieele tegenstanders en tegenstanders om opportuniteits-redenen met elkaar om de eer strijden het ontwerp om hals te brengen. Ook met het in den tegenwoordigen tijd zoo gangbare schrikbeeld — de gehuwde vrouw ambtenares, in casu dan notaris — wordt druk gewerkt, al weten deze Kamerleden vermoedelijk toch zéér wel, dat ook na aanneming van dit wetsontwerp de gehuwde-vrouw-notaris wel een zéér zeldzame vogel zal zijn.

In de eerste plaats laten principieele tegenstanders („verscheidene leden" zegt het Verslag) hun ons zoo welbekende argumenten hooren, o.a. dat de taak der vrouw „krachtens haar natuur voor haar weggelegd", eene andere is dan die van een openbaar ambt te bekleeden — argument, sinds de toelating der vrouw o.a. tot burgemeester, wethouder, Kamerlid en alle openbare ambten, behalve notaris en rechter, toch thans wel tot op den draad versleten! Ook het welbekende „gebrek aan objectiviteit" en „gebrek aan wetenschappelijken zin" der vrouw worden te berde gebracht, en dat in den tijd, waarin over de objectiviteit van vrouwelijke plaatsvervangende notarissen nimmer een klacht is vernomen (zouden deze dames bij vaste benoeming plotseling hare objectiviteit niet meer bezitten?) en dat in den tijd, dat vrouwen met groot succes op proefschriften promoveeren tot doctor in de rechten, de handelswetenschappen en de wiskunde! En werd niet dezer dagen eene gehuwde vrouw tot Professor in het Strafrecht benoemd?

Andere leden — blijkbaar veel talrijker — die in den aard van het ambt geen bezwaar zien om dit door eene vrouw te doen waarnemen, schrikken toch voor het wetsontwerp terug in verband met de daaraan verbonden consequenties voor de gehuwde vrouwelijke notaris: zij moet het domicilie van haren man volgen, gaat wegens het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen mèt haren echtgenoot failliet, heeft géén beheer over de goederen van de gemeenschap, ofschoon de wet op het Notariaat haar de verplichting zou opleggen boek te houden van haren vermogenstoestand, etc. etc. Deze leden achten daarom het gedane wetsontwerp onvolledig.

Deze bezwaren echter, inderdaad van belang m.i., zijn ook naar het oordeel van de Broederschap van CandidaatNotarissen te ondervangen door de huwende vrouwelijke notaris de verplichting op te leggen buiten gemeenschap van goederen te huwen. Dit is dan weliswaar wederom een bijzondere, alleen voor vrouwen geldende wetsbepaling, doch deze zou dan toch verre te verkiezen zijn boven de thans bestaande algeheele uitsluiting der vrouw, ook van ongehuwden. Het is trouwens de vraag of ook voor mannenambtenaren in de toekomst niet somwijlen eene dergelijke bepaling in de diverse wetten zal noodig zijn. Wanneer toch in het toekomstige huwelijksvermogenrecht de dan handelings-bekwame gehuwde vrouw in ruimere mate en in méér gevallen dan thans de gemeenschap van goederen zal verbinden en daarmede het onderpand der cliënten van haren man — n.1. de goederengemeenschap — in gevaar kan brengen, zal het voor die cliënten gewenscht kunnen blijken, dat de man-ambtenaar buiten gemeenschap is gehuwd.

Tenslotte verklaren dan eenige andere leden de vrouw te willen toelaten tot het Notariaat, mits haar bij huwelijk or.slag zal worden gegeven, waarna dan de voorstanders ' an het wetsontwerp nog aan het woord komen om de voorgestelde wijziging „een voldoen aan een eenvoudigen eisch van rechtvaardigheid" te noemen.

Gezien al deze meeningen zal m.i. het wetsontwerp s'echts na aanvulling kans hebben om te worden aangenomen.

V. DULLEMEN.