is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 3, 1932-1933, no 7, 15-12-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze vindt in de meeste steden geen behoorlike kinderkribben, en een geschoolde kinderjuffrouw kan ze niet betalen. Man, familie en buitenwereld verwijten haar, dat ze 't gezin verwaarloost. Zij zelf gaat aarzelen tussen uiteenlopende plichten, gedemoraliseerd doordat men haar arbeid altijd als een bijzaak beschouwt; meestal geeft ze 't tenslotte op. Deze toestanden werken weer terug op de ontwikkeling van het jonge meisje, dat haar studie en haar betrekking gaat beschouwen, als een tijdelik zich behelpen in afwachting van het huwelik. En zo ontstaat een „communis opinio", waartegen slechts de weinige karaktervolle vrouwen zullen ingaan.

De hele verdere ontwikkeling der vrouwenbeweging strandt op deze moeilikheden: naarmate men de gevolgen van deze toestand overweegt, ziet men hoe vrijwel al de hoofdpunten van de vrouwenbeweging onbereikbaar blijven zolang de bevrijding der getrouwde vrouw niet met kracht ter hand genomen wordt. De economiese onafhankelikheid van de vrouw is er niet: het jonge meisje geeft die op zodra ze trouwt.

De vakopleiding van de meisjes blijft aanzienlik beneden die van de jongens, en direkt hiervoor propageren helpt niet, zolang ouder en meisje weten wat ze haar opleiding waarschijnlik toch later niet gebruiken zal. Tengevolge daarvan zijn ook de vrouwen, die niet huwen minder goed geschoold, en zijn niet zo geheel in hun arbeid opgegaan. Hierdoor wordt weer hét sprookje van de mindere bekwaamheid van de vrouw in stand gehouden. En, daar het aantal vrouwen procentsgewijs in de meeste bedrijven nog zeer klein is, blijft haar positie steeds onveilig: zodra er arbeidskrachten te veel zijn, wordt zij beschouwd als de uitzondering, die op die plaats eigenlik niet hoort: zij wordt het eerst ontslagen.

Men bedenke verder:

dat de huiselike arbeid door de vooruitgang der techniek voortdurend eenvoudiger wordt, en het leven der vrouw niet meer vult; zodra de kinderen wat ouder worden voelt de vrouw pas echt de leegte van haar bestaan;

dat voor zovele vrouwen de beperktheid van het gezin leidt tot geestelike achteruitgang;

dat de gezamenlike arbeid buitenshuis de grote leermeester is van alle sociale gevoelens: kameraadschap en organisatie en solidariteit en wederkerig dienstbetoon en politieke scholing. Vooral dit laatste is weer zó nodig voor de verdere vooruitgang van de vrouwenbeweging!

Om al deze redenen moet de vrouwenbeweging tans vóór alles gericht zijn op de beroepsarbeid der gehuwde vrouw.

Verlangen de vrouwen naar deze arbeid buitenshuis?

Sommigen ongetwijfeld wel; maar doordat ze niet de vrijheid hebben haar beroep uit te oefenen (hetzij doordat ze zelf verstrikt zitten in de heersende vooroordelen, hetzij door een van de bovengenoemde oorzaken) zijn zij gedwongen te kiezen tussen haar beroep en haar gezin. Wat ze ook kiezen — ze missen iets dat ze nodig hadden voor haar levensgeluk.

Anderen wensen hem niet — maar dit bewijst niets. Door haar hele opvoeding en door de mening van haar omgeving hebben zij geleerd, beroepswerk voor de vrouw onbelangrijk

te vinden. Zij zien niet in, dat haar beroep — ook al is dit toevallig nu niet zulk héél prettig werk — haar onafhankelikheid waarborgt, en haar in direkt kontakt brengt met de maatschappij. Zelfs al zijn ze nu met de bestaande toestand tevreden, dan bewijst dat nog helemaal niet, dat ze niet vee! gelukkiger zouden zijn geweest wanneer ze in een andere geest waren opgevoed, en ze, in een maatschappij die goed daarop ingericht was, haar beroepswerk tijdens haar huwelik waren blijven doen.

We zullen nog kort aangeven, hoe men zich de toekomst in dit verband kan voorstellen. Stel dat werkelik prakties alle gezonde mannen en vrouwen hun beroepswerk hadden. Dan zou men méér werkkrachten hebben dan nu, zou dus de werktijden kunnen verkorten, bijv. op 5 of 6 uur per dag brengen. Man en vrouw zouden dan beide de halve dag thuis, de andere helft van de dag naar hun werk zijn. Terwijl de ouders van huis waren, zouden de kinderen verzorgd worden in kinderkribben (liefst in de eigen woning: flatgebouwen!), de rest van de dag zouden vader èn moeder samen voor ze zorgen. Door het huishoudelik werk zoveel mogelik cooperatief te verrichten (eten buitenshuis, of in eetzaal van het flatgebouw) zou men die halve dag werkelik voor een aanzienlik deel aan het gezinsleven, aan ontspanning en verdere geestelike ontwikkeling kunnen geven — wat wij bedoelen is dan ook niet het opheffen van het gezin, wel het veranderen van de vorm van het gezinsleven, en wij geloven, dat dit er juist op vooruit zou gaan.

Natuurlijk moeten we ons voorlopig tevreden stellen met overgangsmaatregelen, en dat maakt het voor vele vrouwen moeilik, een besluit in deze richting te nemen. Zeker zullen, zolang de betrekkingen voor halve dagen nog niet ingevoerd zijn, de ouders de kinderen wel wat héél weinig zien; maar alle overgangstijden zijn moeilik, dat mag toch geen reden zijn om dan maar alles bij het oude te laten! Als men werkelik wil, als men weet dat men voor een betere toekomst werkt -— dan zal men zich in zijn vrije tijd wel zó aan zijn kinderen weten te geven, dat deze grotendeels schadeloos gesteld worden voor de tijd dat ze hun ouders niet zien. En men heeft de troost, dat men ze, als ze wat ouder worden, beter zal kunnen begrijpen — doordat men zelf óók midden in de wereld staat, en niet, zoals dit bij een huisvrouw maar al te dikwels het geval is, de wereld ziet door de ogen van man en kinderen, en opgaat in het kleine kringetje van het gezin: in dat geval ontgroeien de kinderen de moeder maar al te gauw.

In het korte bestek waarover wij beschikken, konden we slechts een vluchtige schets van onze opvattingen geven. De niet-welwillende lezer zou gemakkelik vele onzer beknopte zinnen verkeerd kunnen interpreteren. Maar we vertrouwen dat een groot aantal vrouwen onze bedoeling zal begrijpen, omdat zij er onmiddelik een terugklank in zullen vinden van hun eigen gevoelens. Wij doen een beroep op de oude strijdsters der eerste ure, maar nog meer op de jongeren die op het punt zijn hun levensweg te kiezen. Wij zouden onze Vereeniging, verfrist en versterkt, het oude doel met nieuwe middelen willen zien nastreven.

M. B. COELINGH EN M. M1NNAERT.