is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 4, 1933-1934, no 5, 15-10-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(sic. V. T.) bedienden" enz. Het is te begrijpen dat doctor Rauth het niet begrepen heeft op de wiskundige zekerheid; enfin, die wordt dan in die staat bezoldigd, dat kunnen wij er hier niet van zeggen. De éénige bezoldigde in deze ideaalsfeer van Fonomkoopbare? „eere"-ambtenaren is de, schrik niet, lezeressen en lezers, „vereffeningsminister". Laat ik U gerust stellen: hij vereffent alleen maar de „politieke richtingen". Ik zeg het nog verkeerd ook: niet de minister wordt betaald, maar de vereffeningsprocedure zelf. Het staat er niet bij of dit op het zelfde neerkomt of niet.

Doch leest U zelf:

Alle politieke richtingen met minstens 100.000 aanhangers hebben het recht een program op te stellen en dit door een gevolmachtigd vertegenwoordiger voor het vereffeningsministerie mondeling te laten toelichten; maar zij moeten alle kosten van deze onderzoeksprocedure betalen. Religieuse en philosophische vragen zijn in politieke programma's verboden, aangezien zij het particulier eigendom van de zich ontplooiende menschheid zijn.

Op het laatste hebben wij Nederlanders, althans zoo lang wij dit zijn, echter geen kans. Stel U voor, stel U vóór: wij geen religieuse vragen in politieke programma's? Ondenkbaar? Waarom! Wie weet hoever wij zijn als Bijregeling no. 7 b.v. aangekondigd wordt! De best geordende Deutsche Provinz b.v.! Voor het uiterlijk zijn wij al gereed: Prins Maurits, de Ruyter, Tromp kunt U onder de groote Duitschers vinden, wier afbeeldingen zijn bewaard in het Walhalla te Regensburg. En Leiden heette onlangs nog immers: „Deutschlands kaltestes Laboratorium"? Verder houden de hoofd- en bijregelingen ongeveer alles in, hetgeen wij in onze geliefde vrije staat niet meer dan voor de hand liggend vinden als sociale en geestelijke inventaris van onze cultuur: een „einwandfreie" rechtspraak, vacanties, onderwijs voor vol- en minwaardigen, belastingen naar evenredigheid, laboratoria, vrijheid van meeningsuiting, octrooibureaux. Dan: geloof, hoop en liefde; maar de beste van de drie is bij Doctor Rauth het productieve mede-arbeiderschap. Wie niet „productief" is, voor die is het „armenhuis", waar hij echter „op het land" te werk gesteld wordt. Een definitie van „productief" vind ik nergens. Men krijgt bij het lezen af en toe de gewaarwording of men een plotseling ziende-geworden-blinde met blijde verrassing en in groote verwarring objecten hoort aanwijzen, die voor ons den „Reiz des Neuen" sinds lang verloren hebben (maar die wij daarom toch met alle vezelen van ons wezen, elk voor zich, en in hun samenhang, bezitten!!!). Enkele voorrechten missen wij inderdaad. Onderwijs in rassenkunde, b.v. waar wij bepaald behoefte aan hebben! En aan onzen volkshumor ontgaat een kostelijke kans. Wie in dit verboden toegangland nog verkeerd doet, zijn medemensch hindert b.v., wordt met een roode doek om den nek te kijk gesteld. Is de arme huiseigenaar, dan wordt zijn deur rood geverfd. Maar dit doet daarom de deur niet toe. Een paar idealen ontvouwt het Rijksprogram der Gesamtheit toch nog wel: in deze ideaalstaat zal de benzine 8 pf. de L. kosten! Daar durft een mensch nog eens in een Atax zitten! De banken (niet de planken-banken al staat het vlak onder de benzine-bij-toeregeling) zijn in één „rijksvereeniging georganiseerd". Dat is eenvoudiger te overzien, moet U weten, b.v. bij het staatsbankroet:'Aan propaganda voor dit Rijksprogram verbindt Mv. S. v. A., die voor een vrouwenpartij: deze moet leiden tot 't resultaat: 50 % vrouwen in de Kamer. Deze propaganda wordt door het Rijksprogram gesteund, zegt Mevr. S. v. A.

Eén vraag, moeten wij zoo verder? Dan verdienen wij, dat men ons thuis laat.