is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 4, 1933-1934, no 7, 15-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom is de éene partij zoo fel voor nationale ontwapening, terwijl de andere verzekert, dat zij het land tot een wissen ondergang brengen zal?

Was in den ,laatsten' oorlog het loopgraven-moreel werkelijk slechts te bereiken door verstrekking van prostituees en rum, of vonden soldaten in vaderlandsliefde en militaire eer moed om den dood in te gaan?

Komen sommige regeeringen werkelijk hunne verplichtingen tegenover de oorlogsinvaliden zoo slecht na, of is het slechts .gemopper', wat er uit die gelederen opgaat?

Wat is toch dat geheimzinnige .wapenkapitaal', dat volgens sommigen niet alleen over handel en industrie zijn macht uitstrekt, maar zelfs over het ministerie van buitenlandsche zaken? Terwijl anderen lachen: praatjes, een sprookje.

Is dienstdwang een verheven plicht van eiken goeden staatsburger of is het een noodzakelijk kwaad, of zelfs iets onwaardigs?

Is het begrip .nationaal' zoo spoedig mogelijk de wereld uit te helpen of is het juist met alle denkbare middelen te verstevigen?

Moet de vrouw, wie door de natuur als taak is aangewezen leven te baren en op te kweeken, dat leven blijmoedig opofferen aan de verdediging van het vaderland of het gelaten ter slachting afstaan ten gerieve, hetzij van de internationale wapenfabricage, hetzij van de verbreiding van beginselen, sociale of ethische. Of moet zij met alle kracht die in haar is, zich principieel daartegen verzetten?

Zie daar eenige vragen en problemen, waarvoor de vrouwen van dezen tijd toch wel eenige belangstelling mochten toonen. Is het al beschamend niets af te weten van de stroomingen van den tijd, waarin men leeft, onverantwoordelijk is het zich verre te houden uit gemakzucht van die, waar men een taak te vervullen heeft. Telkens weer zeggen groote pacifistische schrijvers en redenaars „gij vrouwen zijt machtig door uw aantal en uw invloed, wendt uw macht aan ten dienste van ons doel". Legt het den vrouwen niet in elk geval de verplichting op zich ten koste van wat tijd en moeite rekenschap te geven van wat er in de wereld gebeurt, en vervolgens haar plaats te bepalen?

II

Geen eigen normen.

Het ontbreken van nieuwe eigen normen van de vrouwenbeweging valt o.a. op, als we den blik wenden naar de studentenmaatschappij.

De meisjesstudenten hebben zich aangepast bij wat ze vonden, ze volgen in alles zooveel mogelijk haar manlijke collega's na, en tevergeefs zoeken we bij haar een eigen lijn. In kringen waar men deze problemen serieus onder de oogen ziet, steekt men zijn teleurstelling over deze weinig bemoedigende houding der vrouwen niet onder stoelen of banken, en terecht: zinloos gejubel leidt tot niets. Zoo herinner ik mij dat de Amsterdamsche Gids voor aankomende studenten van het jaar 1930 er ernstige woorden aan wijdde.

Toch is het hier meer een kwestie van betreuren dan van zich ergeren. Het recht van toegang tot de universiteiten stelt jaarlijks heele scharen jonge meisjes en vrouwen in de gelegenheid zich een waardige broodwinning te verwerven, welk feit althans op zichzelf alle reden tot verheugenis geeft. Van de openstelling van de politieke loopbaan voor vrouwen intusschen, had men meer mogen verwachten, dan dat er, over het heele land, enkele harer daardoor een goede positie verkregen.

Naar een heel ander gebied overgaande en wel naar dat der ethiek, worden wij