is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 5, 1934-1935, no 5, 15-10-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIJN WIJ VOLWAARDIGE NEDERLANDERS?

Naar aanleiding van de vraag door Johanna W. A. Naber en mevrouw A. E. J. de Vries-Bruins in de Juli-aflevering van ons maandblad gesteld, gaf Mr. D. J. Veegens in een artikel in het September-nummer zijn persoonlijke meening over het gelijk staatsburgerschap van man en vrouw, nadat hij de Handelingen van de Staten Generaal er op had nageslagen. Immers, om een meening over deze brandende quaestie te kunnen hebben, moet men in de eerste plaats precies weten, wat er gezegd is in de Kamer bij de Grondwetsherziening van 1922, toen artikel 5 van Hoofdstuk I: „Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar", behandeld werd, waarbij twee amendementen waren ingediend. Een woordelijk gelijkluidend uittreksel uit de Handelingen der Staten-Generaal 1921-1922, bldz. 280 vlg. is hier op zijn plaats om de meeningen van de volksvertegenwoordigers in 1921 te hooren. Drie opvattingen kwamen naar voren:

I. Met „Nederlander" worden mannen en vrouwen gelijkelijk bedoeld, de vrouw in 't bijzonder te noemen is overbodig en de eer van het Nederlandsche parlement te na (mevrouw Groeneweg).

II. Het is dubieus of mannen en vrouwen beiden bedoeld zijn, dus moeten de vrouwen apart genoemd worden (Marchant c.s., Rink c.s.).

III. „Nederlander" heeft in dit artikel niets met sekse te maken maar wil slechts zeggen, dat er tusschen Nederlanders krachtens geboorte en Nederlanders krachtens naturalisatie geen verschil wordt gemaakt (Eeumer).

Den isten November 1921 verklaarde de voorzitter 1), dat bij dit ontwerp van wet de volgende amendementen waren binnen gekomen:

,,a. één van de heeren Marchant, Van Beresteyn, Ketelaar, Oud en Teenstra, strekkende om na § 2 in te voegen een nieuwe § 2 bis, luidende:

„Tusschen het eerste en tweede lid van artikel 6 der Grondwet wordt ingevoegd een nieuw lid, luidende:

De vrouw kan niet door wettelijk voorschrift van de benoembaarheid tot eemg ambt worden uitgesloten".

b. één van de heeren Rink, Lely, Dresselhtjys, Visser van Yzendoorn, mevr. Westerman en de heeren De Groot, Ter Hall, Drion, Bijleveld, De Muralt en Abr. Staalman strekkende om na § 3 in te voegen:

„Tusschen art. 6 en art. 7 der Grondwet wordt ingevoegd een artikel 6 bis, luidende: ,.De wet erkent de volledige staatsrechtelijke, burgerrechtelijke en economische gelijkstelling van man en vrouw",

en stelt voor deze amendementen gelijktijdig te behandelen, waartoe besloten wordt.

„de heer Marchant:

„ . . . . Een van de meest karakteristieke wijzigingen, die in de geheele wereld in den gedachtengang der volkeren reeds tijdens den oorlog is gekomen, is het veranderde inzicht omtrent de positie der vrouw .... Reeds bij de vorige Grondwetsherziening is dus de vrouw herkiesbaar verklaard in alle vertegenwoordigende lichamen, maar benoembaar tot alle ambten is zij nog niet, niettegenstaande sedert lange jaren in de Grondwet staat geschreven: „Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar" en niettegenstaande zoo Regeering als Staatscommissie2) als om strijd verklaren dat de Grondwet — tenzij het tegendeel met zooveel woorden wordt medegedeeld — zoowel mannen als vrouwen gelijkelijk op het oog heeft.

Maar als de gewone wetgever aan het werk gaat worden de vrouwen helaas uit het oog verloren. Wij hebben in art. 5 te doen met een van die „pompeuze decla-

1) Kooien.

2) Verslag van de Staatscommissie ingesteld tij Koninklijk Besluit van 20 Dec. 1918, no. 78.