is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 5, 1934-1935, no 9, 15-02-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het benoemen van vele duizenden leerkrachten, die in intelligentie min of meer achterstaan bij de volledig bevoegden, moet men wel komen tot de gedachte, dat het nieuwe diploma zijn bestaansrecht vindt in de bezuiniging. Die bezuiniging bij het L.O. zal men verkrijgen door het vrouwenwerk lager te salariëren dan het werk van de mannelijke collega's. De A-onderwijzeres wordt de goedkopere leerkracht. Zij wordt lager gesalarieerd dan de volledig bevoegde, niét omdat haar werk geringere waarde heeft voor de lagere school, niét omdat haar taak minder toewijdingen inspanning vraagt, maar omdat zij een minder goede opleiding heeft gehad.

Deze minder goede opleiding wordt haar in bovengenoemd wetsontwerp opgelegd, omdat, zoals uit de becijfering van den minister blijkt, slechts sporadisch een volledig bevoegde onderwijzeres naast de mannelijke collega's gevraagd zal worden.

Dit is het offer, dat de vrouw in de toekomst zal moeten brengen.

De onderwijskundige kant van de zaak is een volksbelang, dus een moederbelang, een vrouwenbelang. Wat deze betreft volgt hier wat in de Algemeene Beschouwingen van het verslag door een der leden — blz. 10 — wordt opgemerkt:

„Aanvaardt men het wetsontwerp dus niet alleen wat de opleiding tot volledige bevoegdheid betreft, doch ook voor zover het deze lagere bevoegdheid voor onderwijzeressen invoert, dan zal het resultaat geen verbetering van opleiding zijn, doch achteruitgang".

Wordt daarbij in aanmerking genomen, dat de nieuwe opleiding het meisje uit de maatschappelijk gelukkiger gesitueerde gezinnen minder, inplaats van meer, zal trekken dan de bestaande, dan is het wel duidelijk, dat een en ander verarming zal betekenen voor onze lagere school. Dit geldt voor elke lagere school, maar voor die op het platteland in het biezonder, gezien de geringe mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en ontspanning, die het A-diploma en het daaraan verbonden salaris biedt.

Groningen,|Febr. 1935. M. W. Alderts.

Lerares aan de Gemeente-Kweekschool voor Onderwijzeressen.

BEROEPSARBEID DER GEHUWDE VROUW

\l Schier ongemerkt en wellicht onbewust van den dienst, welke zi j daarmede onze zaak bewees, heeft de wet sinds begin Januari 1935 ons een belangrijke winst bereid, doordat, tengevolge van de ophefting van de onderscheiding tusschen kooplieden en niet-kooplieden, iedere vrouw — dus niet alleen de openbare koopvrouw van voorheen — die zelfstandig met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van haar man een beroep uitoefent, zich te dier zake zonder zijn bijstand kan verbinden. Zij kan dus in haar beroep de noodige uitgaven doen en overeenkomsten sluiten zonder verlof van haar echtgenoot en indien man en vrouw in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, is ook hij door hare handelingen verbonden. Onder het begrip „beroep" wordt ook „bedrijf" begrepen.

De uitbreiding tot ieder beroep wordt, behalve door het wegvallen van voorzegde onderscheiding, gemotiveerd met de opmerking, dat de zelfstandigheid der openbare koopvrouw niet zoozeer te danken was aan hare positie als koopvrouw, dan wel aan de omstandigheid, dat zij niet als huisvrouw optreedt. „Huisvrouw" is nog steeds geen beroep! In ieder geval is deze wetwijziging een schrede voorwaarts op den weg naar zelfstandigheid der gehuwde vrouw. Mr. B. C. Goudsmit.

BOEKBESPREKING

H. T. J. Keip. „De Volkshuishouding in den Corporatieven Staat".

Deze zeer summiere verdediging van den corporatieven staat volgt het gewone procédé van dergelijke geschriften, om uit het feit, dat niet alles volmaakt is in den tegenwoordigen toestand, maar dadelijk de conclusie te trekken, dat alles veran-