is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 6, 1935-1936, no 10, 15-03-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ONTSLAG DER GEHUWDE ONDERWIJZERES

Het wetsontwerp tot verlaging van de openbare uitgaven voor het onderwijs heeft een weinig voorspoedige parlementaire reis gehad. Thans is het, op 14 Februari 1936, door de Eerste Kamer aangenomen. De wet draagt de datum van 21 Februari 1936 en is zo juist gepubliceerd in Staatsblad no. 100.

De bezuinigingsdebatten betreffende het onderwijs zijn echter nog niet geeindigd. Het onderwijsbezuinigingsvoorstel is immers beroofd van een zijner voornaamste paragrafen, paragraaf 12, aangaande de concentratie van het bijzonder lager onderwijs. Deze paragraaf is teruggenomen met de bedoeling deze materie door een Staatscommissie op korten termijn nader te doen bestuderen. De Staatscommissie is 11 Februari 1936 ingesteld. Wanneer zij met haar werk gereed is en de regering wederom met „paragraaf 12" al of niet gewijzigd voor de Kamers zal verschijnen, zal opnieuw de onderwijsbezuiniging aller gespannen aandacht eisen. De kunst is om bezuiniging bij het bijzonder onderwijs te verkrijgen zonder dat daardoor de schoolstrijd herleeft. „Wij kunnen nu alles beter gebruiken dan een herleving van den schoolstrijd" zeg ik Prof. de Savornin Lohman gaarne na.

Lang voordat deze debatten in de Tweede Kamer zullen beginnen zal deze te oordelen krijgen over de motie Boon betreffende een bijzondere regeling voor de salarissen van ambtenaren en onderwijzers, die buiten gezinsverband in communiteit leven (m.a.w. van de kloosterlingen ambtenaren en -onderwijzers). Deze motie Boon is in de Tweede Kamer ingediend ten tijde en naar aanleiding van de beraadslagingen over het ontslag der gehuwde onderwijzeres, de behandeling daarvan werd aangehouden tot een nader te bepalen dag. Van zulk een bijzondere regeling, welke de heer Boon door voornoemde Staatscommissie ter bestudering van paragraaf 12 wil laten ontwerpen, verwacht de voorsteller der motie een belangrijke en veel grotere bezuiniging dan die, welke te bereiken is door ontslag van de gehuwde onderwijzeres. *)

Ik noem deze dingen, opdat duidelijk voor ogen komt te staan dat het onderwijsbezuinigingsvoorstel aan heel moeilijke en tere kwesties raakt. Ik kan verder nog noemen de leerlingenschalen en de pensioenering van onderwijzers en wachtgelders op 60-jarige leeftijd. Deze en meerdere kwesties trachtte het wetsontwerp tot verlaging van de openbare uitgaven voor het onderwijs in 16 paragrafen te regelen.

Deze 16 paragrafen vormden tezamen één wetsvoorstel. Op dit wetsvoorstel stelde de heer Suring (R.K.) in de Tweede Kamer meerdere amendementen voor. Een dezer amendementen, welke inlassing van een paragraaf I5bis beoogde, pleegt men in onze kringen als „hèt" amendement-Suring aan te duiden. Het eiste ontslag van de gehuwde onderwijzeres. Ondanks heftige tegenkanting van de linkerzijde in de Tweede Kamer en ondanks „ontrading" van dit amendement door den Minister van Onderwijs nam de Tweede Kamer het aan. Nadat daarna de 16e en laatste paragraaf was aangenomen, had de eindstemming plaats en werd het ontwerp van wet 89 aangenomen.

Hiermede was de gang door de Tweede Kamer voltooid en ging het ontwerp naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer heeft geen recht van amendement; artikelsgewijze (ten deze paragrafengewijze) behandeling vindt niet plaats, er wordt alleen beraadslaagd over het ontwerp in zijn geheel. Dit wil dus zeggen dat de Eerste Kamer voor de keus stond ontwerp 89 in zijn geheel aan te nemen of te verwerpen en niet de gelegenheid had om (zo zij al gewild zou hebben) alleen paragraaf I5bis (het aangenomen amendement Suring) te laten vallen. Degenen, die poogden het wet worden van paragraaf I5bis te verhinderen, wensten en hoopten dus dat de Eerste Kamer het gehele onderwijsbezuinigingsvoorstel zou verwerpen. Dat dit een ijdele hoop was, was van te voren duidelijk. De moeizaam in elkaar getimmerde bezuiniging op het onderwijs, kon men toch niet geheel te niet doen voor een betrekkelijk ondergeschikt punt als het ontslag van de gehuwde onderwijzeres toch blijft, in het

*) De motie Boon is, nadat de voorsteller haar gewijzigd had in een opdracht van het georganiseerd overleg 5 Maart z. h. s. aangenomen.