is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 7, 1936-1937, no 6, 15-11-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het algemeen belang zou worden geschaad, doch wil krachtig medewerken om de economische onvrijheid der zwakken te verminderen en een vrije ontwikkeling van alle in het volk aanwezige krachten te bevorderen.

Uit het op deze grondbeginselen opgebouwd algemeen partijprogramma kan ik slechts enkele punten aanstippen, en zal mij dan daarbij bepalen bij die welke voornamelijk van belang zijn voor de vrouwen. Daar komt dan in de eerste plaats deze eisch: volledige staatsrechtelijke, burgerrechtelijke en economische gelijkstelling van man en vrouw. Bij benoemingen van overheidswege wordt uitsluitend rekening gehouden met bekwaamheid en geschiktheid. — Aanpassing der huwelijkswetgeving aan de inzichten van dezen tijd ten aanzien van de positie van de vrouw is eveneens in het programma opgenomen.

Ten opzichte van het onderwijs wordt o.a. gestreefd naar: bevordering van het nationaal karakter der volksopvoeding; nauwere aansluiting van het onderwijs aan de eischen van het maatschappelijk leven en van het gezin en versterking van de samenwerking tusschen school en gezin. Bij opleiding en benoeming van onderwijzend personeel, worde er op gelet dat de onderwijzer geroepen is mede leiding te geven aan de karakter- en intellectueele vorming van ons volk. Bevordering van het Nijverheidsonderwijs, enz. enz.

Uit de paragraaf van de economische politiek stip ik aan: Behoud van het vrijhandelsbeginsel, en bevordering van alle pogingen om tot internationale toepassing van het vrijhandelsbeginsel te geraken. De overheid beperke zich ten aanzien van de ordening van productie en distributie tot bescherming van het publiek tegen machtsmisbruik van belangengemeenschappen van ondernemers, arbeiders, of van beide groepen te zamen.

Ten slotte nog een paar aanhalingen uit de paragraaf die van belang is voor onze verhouding tot het buitenland. Voorop staat de handhaving van ons onafhankelijk volksbestaan, en voor zoo lang daartoe noodig, de instandhouding van een weermacht ter wering van oorlogsgevaar, ter bescherming onzer onzijdigheid, ter verdediging van ons grondgebied in en buiten Europa, en ter voldoening aan de verplichtingen, voortvloeiende uit het lidmaatschap van den Volkenbond. Daarnaast echter een krachtige en onafgebroken deelneming aan het streven naar internationale ontwapening. Internationaal toezicht of toezicht van den Volkenbond op handel in en fabricage van oorlogswapenen.

Bovengenoemde korte aanhalingen uit het algemeen programma zijn ongetwijfeld aantrekkelijk voor iedere vrouw en waarschijnlijk zul¬

len velen zich geroepen gevoelen om door toetreding tot de Liberale Staatspartij mede te werken tot de totstandkoming van deze wenschelijkheden.

Het mag verwondering baren, dat velen zoo spoedig geneigd zijn een staatkundige partij te veroordeelen, enkel op grond van de bezwaren ■welke er, gewoonlijk door weinig deskundigen tegen worden ingebracht, in plaats van door ernstige studie zich te overtuigen van de waarheid en grondigheid der beschuldigingen.

Voorop zij gesteld, dat ook andere politieke partijen beginselen huldigen waarvoor men eerbied kan hebben, en waarmede men het althans voor een deel, eens kan zijn. Bovendien staat het buiten twijfel, dat ook die anderen hun beginselen propageeren ten bate van het algemeen welzijn, voor iedere groep volgens eigen levensinzicht en sociale verlangens. Het komt echter bij veel gemeenschappelijks inzake bevordering van het volksbelang, vooral aan op de wijze van uitvoering, op de vastlegging in 's lands wetten, in de samenstelling en uitoefening van het Staatsgezag. Bij de partijkeuze kan dus niet worden volstaan met een vluchtige kennismaking, nog veel minder met het aanvaarden van een oppervlakkig oordeel van buitenstaanders.

Ten einde dit nader toe te lichten, wil ik even stilstaan bij enkele grieven en bezwaren die tegen de liberale beginselen en de partij die ze in een toepassing brengt, worden geuit.

Een oud liedje zingt daarbij van te ver gaande vrijheidszucht, welke ontaardt in slapheid en in het zooveel misprezen „laisser faire". Ongetwijfeld zijn er wat dit laatste betreft, in de vorige eeuw fouten begaan: tijden van voorspoed leiden zoo licht tot verslapping. Maar indien er al een tijd was van te groote slapheid, zoo heeft de liberale partij zich schitterend gerehabiliteerd in het laatst der 19e en in het begin van deze eeuw, door haar krachtige medewerking aan de sociale wetgeving, die, vergeleken bij thans, toen nog in een beginstadium verkeerde. Denken wij eens aan de Kinderwetten, de Woningwet, de Gezondheidswet, de wet op de Dienstplicht, de Leerplicht, om maar enkele te noemen uit de vele die onder liberaal bewind tot stand kwamen. Dit was toch ontegenzeggelijk daadwerkelijke arbeid ten algemeenen nutte, een behartiging van de belangen van allen, niet het minst van die der economisch zwakken.

„De liberale partij is dood"; „zij heeft afgedaan", is een andere uiting die vaak wordt nagepraat door onbevoegden. Eigenaardige doodsverklaring van een partij, wier invloed in wetgeving en volksvertegenwoordiging nog steeds terdege merkbaar is. Maar een ander bewijs van het tegendeel is de toenemende bloei