is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 7, 1936-1937, no 7, 15-12-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een uitkeering ineens aan de weduwe en kinderen van een onderwijzer, bij diens overlijden; gelijk thans ook bestaat voor de weduwe van een Rijksambtenaar.

T oelichting.

Ten behoeve van de weduwe van een Rijksambtenaar is bepaald, dat bij den dood van haar echtgenoot, als haar weduwepensioen ingaat, zij een gratificatie ontvangt, het zoogenaamde „smartegeld", gelijkstaande aan het bedrag van 6 weken salaris van haar man. Het motief daarvoor is, dat de weduwe na de ziekte en dood van haar man dikwijls in uiterst moeilijke omstandigheden met haar gezin achterblijft.

De onderwijzer is, behoudens enkele uitzonderingsgevallen, geen rijksambtenaar, al wordt diens salaris door het Rijk aan de Gemeente vergoed. In verreweg de meeste gevallen is de onderwijzer een gemeenteambtenaar. Nu hebben eenige grootere gemeenten een verordening met een even gunstige bepaling omtrent de gratificatie aan de weduwe en kinderen van een onderwijzer als het Rijk voor zijn ambtenaren. Zelfs hebben een twintigtal gemeenten de uitkeering vastgesteld op een bedrag, gelijkstaande aan het salaris van drie maanden van den overleden onderwijzer. Echter in het grootste aantal gemeenten ontbreekt een dergelijke bepaling geheel. Dit schijnt ons onbillijk.

III. De Nationale Vrouwenraad geve aan de commissie, die tot taak zal hebben de statuten te herzien, in overweging artikel 5 der statuten, hetwelk de toelating der leden regelt, in dier voege te wijzigen, dat weliswaar de aspirantleden zich moeten aanmelden bij het Dagelijksch Bestuur, maar dat over hun toelating wordt beslist door het Algemeen Bestuur, waarbij het

D.rS. van advies kan dienen. Beroep zou kunnend

openstaan op de Algemeene Vergadering.

kennen, dat besluiten door een algemeene vergadering genomen, worden geacht van kracht te zijn, tot een algemeene vergadering zich in tegenovergestelden zin heeft uitgelaten.

T oelichting.

Op de Algemeene Vergadering in Eindhoven bleken enkelen van meening te zijn, dat een besluit, enkele jaren geleden genomen, of een uitspraak in 1931 of 1932 gedaan, niet meer van kracht waren.

Ook werd besloten de volgende personen candidaat te stellen voor de a.s. verkiezingen op de Jaarvergadering van den Nationalen Vrouwenraad:

Voor het Dagelijksch Bestuur: mevr. }. Polak—Kiek.

Voor de Internationale Comité's, sectie Vrouwenkiesrecht: mej. E. H. Piepers.

Voor sectie bioscoop en radio: het aftredend lid, mevr. B. v. d. Bergh—Willing, die herkiesbaar is.

Men besloot een plan tot reorganisatie, ingezonden door de afdeeling Leeuwarden, uitvoerig te behandelen in de eerstvolgende H.B. vergadering in Januari.

Een voorstel van het J.W.C. voor het maken van een kleine reizende bibliotheek voor de propaganda op het platteland, werd met instemming begroet, terwijl er tevens besloten werd de hulp hiervoor in te roepen van de leden, die door het ter beschikking stellen van boeken aan deze propaganda zouden kunnen medewerken.

Ook werd besloten in te gaan op het voorstel van het J.W.C. een kleine brochure over de Vereeniging te doen verschijnen.

IV. De Nationale Vrouwenraad geve te nomen

Sinds 1 November heeft mejuffrouw L. Ort

tijdelijk de leiding van het Bureau op zich ge-

UIT DE AFDEELINGEN.

Amsterdam. — De vrouwen gepasseerd. — Op 21 October j.1. verzonden wij aan het college van B. en W. te Amsterdam den volgenden brief:

Bij geruchte is ons bestuur ter oore gekomen, dat het gemeentebestuur van Amsterdam overweegt een commissie in te stellen, die tot taak zou hebben, de mogelijkheid te onderzoeken van reorganisatie van het onderwijs hier ter stede. Zijn wij wel ingelicht, dan zouden zelfs reeds enkele personen zijn aangezocht om in die commissie zitting te nemen, doch zouden

zich onder hen geen vrouwen bevinden.

Waar er in de kringen der vrouwen begrijpelijkerwijs steeds een groote belangstelling voor onderwijszaken heeft bestaan en zij bij meer dan één gelegenheid hebben getoond mede te willen werken aan maatregelen, die er toe zouden kunnen leiden om goed onderwijs te bevorderen, meenen ondergeteekenden, dat het zoowel in het belang van het onderwijs als in dat van hen, die daarbij ten nauwste betrokken zijn, zou zijn, indien Uw college er toe zou willen medewerken, in de te benoemen commissie ook een of meer vrouwen aan te wijzen.