is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 8, 1937-1938, no 5, 15-10-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keuze der gepolste personen deed raden naar de richting, die de komende regeering waarschijnlijk zou inslaan — geduurd. En toen dan eindelijk het Kabinet tot stand was gekomen, was de samenstelling zóó, dat velen in het duister bleven tasten omtrent de te volgen politiek.

Er zouden nog enkele maanden moeten verloopen — men kan niet zeggen, dat de Hollanders ongeduldige menschen zijn — voordat het Kabinet zich aan den volke zou presenteeren met een vast omlijnd program. Wel had men zich in dien tijd zoo nu en dan verdiept in gissingen daaromtrent, maar meer dan veronderstellingen waren het niet. Pas de Troonrede zou eenig licht hierin verspreiden. Het is dan ook zeer begrijpelijk, dat de derde Dinsdag in September met meer dan gewoon ongeduld werd tegemoet gezien.

Voldaan?

Heeft nu de Troonrede aan de verwachtingen, die men ervan koesterde, voldaan? Natuurlijk hangt de beantwoording van deze vraag voor een groot deel af van den persoon, of de partij, die haar stelt. Wanneer wij echter de perscommentaren daarover naslaan, dan moeten wij erkennen, dat er bijna algemeen, en zelfs in de kringen, die bereid zouden zijn deze regeering zonder voorbehoud te steunen, teleurstelling valt te constateeren, al is er natuurlijk verschil van de punten, waarop men teleurgesteld is, naar gelang van inzicht.

Echter, in één opzicht zijn bijna allen het eens, de Troonrede is een vaag stuk en men kan nauwelijks spreken van een vast omlijnd program.

Het nieuwe ministerie dient zich aan als een positief rechts Kabinet, dat ,,in wetgeving en bestuur vóór alles Gods wet tot opperste richtsnoer zal nemen. Toch wordt onmiddellijk daarna reeds gesproken van „vermijding van toespitsing van tegenstellingen." Waar nu reeds in rechtsche kringen verschil van meening bestaat omtrent de interpretatie van Gods wet, zal men begrijpen, dat deze verschillen tusschen rechts en links nog veel grooter zijn. Hoe deze grondslagen dus zonder toespitsing van tegenstellingen consequent kunnen worden doorgevoerd, is ons vooralsnog niet geheel duidelijk.

Hetzelfde geldt voor wat gezegd wordt omtrent de zorg voor een gezonde ontplooiing van het huwelijks- en gezinsleven, bescherming van de publieke eerbaarheid en de maatregelen tegen ontheiliging van den wekelijkschen rustdag.

De zinsnede, dat de regeering overweegt „een nadere regeling van het vereenigingsrecht, ter bevordering van een meer werkdadig repressief

toezicht, naar de reeds thans in de wet neergelegde normen van openbare orde en goede zeden", laat vele vragen open, waaromtrent de democratisch gezinde personen en partijen niet geheel gerust kunnen zijn. Zal hier het oude, door de Grondwet gewaarborgde, recht van vereeniging en vergadering worden aangetast? En zoo ja, welke vereenigingen zullen daardoor worden getroffen?

Positiever.

Positiever is de mededeeling omtrent de versterking der weermacht. „Zoowel hier te lande als in Indië, moet worden voortgegaan met de versterking van onze weermacht. Belangrijke voorstellen daartoe zullen onverwijld aanhangig worden gemaakt."

Deze verklaring zal trouwens nauwelijks verwondering hebben gewekt, al zal zij voor hen, die in ontwapening een waarborg voor de bevordering van den vrede zien, zeker een bevestiging zijn van hun vrees, dat ook ons land zich steeds meer begeeft op den weg van opvoering der bewapening. Van een ministerie-Colijn was echter niet anders te verwachten. En als wij dan zien, dat in de Millioenennota voor Defensie een extra-bedrag van ruim 157 millioen voor aanschaffing van nieuw materiaal voor de Landen Zeemacht wordt aangevraagd en voor de Luchtbescherming een bedrag van ƒ 275.000 (tegen ƒ 50.000 in 1937), dan zal men begrijpen, dat wij voorloopig althans nog verre af zijn van vermindering der bewapening.

Dit is te meer verontrustend, omdat wij eenige passages verder in de Troonrede lezen, dat „vele op zichzelf gewenschte of nuttige maatregelen, waaronder die op het gebied van onderwijs, eerst dan ter hand genomen kunnen worden, indien de financieele positie voldoende versterkt zal zijn." Want, hoewel erkend wordt, dat de opbrengst der middelen stijgt, „maken enkele bijzondere financieele voorzieningen tot verhooging der defensie-uitgaven" deze maatregelen onmogelijk.

Voor de vrouwen, die steeds getoond hebben den onderwijsbelangen een warm hart toe te dragen, is dit zeker een punt van ernstige overdenking.

Arbeidsbeperking der gehuwde vrouw.

Ietwat onwennig vinden wij tusschen de mededeelingen omtrent den landbouw een paar regels, die eveneens de aandacht der vrouwen verdienen.

In voorbereiding zijn wettelijke regelingen tot beperking van den arbeid der gehuwde vrouw en tot rekening houden met gezinslasten bij het arbeidsinkomen.