is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 1, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. Cronjé, „EGSKEIDING EN HUWELIKSEN GESINSONTBINDING"; diss. Amsterdam, 1934 (met een voorwoord van Prof. Mr. W. A. Bonger).

Het is al een aantal jaren geleden, dat het in het Afrikaansch geschreven proefschrift van Cronjé is verschenen. Toch kan een bespreking thans, in 1939, in „Vrouw en Gemeenschap", niet als mosterd na den maaltijd worden beschouwd, door de belangrijke bouwstoffen, die het werk levert voor twee juist zeer actueele vraagstukken: het wetsontwerpRomme tot beperking van den arbeid der gehuwde vrouw, en het ontwerp-Goseling tot bestrijding van „de groote leugen" in het Nederlandsche echtscheidingsproces (zie het artikel van Mr. Veegens in het Januari-nummer van dit maandblad).

Het proefschrift kondigt zich aan als ,, n Sociologische studie". Op de eerste bladzijden maakt de schrijver een scherp onderscheid tusschen de normatieve beschouwingswijze, die de maatschappelijke verschijnselen veroordeelt of rechtvaardigt, en de sociologische beschouwingswijze, die dezelfde verschijnselen slechts bestudeert en causaal poogt te verklaren. De schrijver stelt zich ten doel, de echtscheiding, en de huwelijks- en gezinsontbinding slechts vanuit het laatstgenoemd, sociologisch oogpunt te behandelen.

In hoever mag de schrijver in deze taak geslaagd heeten?

Laat ik vooropstellen, dat het hier besproken geschrift zeer zeker een doorwrocht werk is, resultaat van naarstige studie, en bij gedeelten van een rijpheid en evenwichtigheid, die in den schrijver allerminst den „jongen doctor doen vermoeden. Ondanks het vele verwerkte statistische materiaal is het boeiend geschreven. Dat, bij al deze waardeering, het boek mjj niettemin op vele punten niet heeft bevredigd, ligt wellicht niet zoozeer aan den schrijver, als aan het vak zijner keuze, de sociologie. De moeilijkheden, die de sociologie, nog nauwelijks aan de kinderschoenen ontwassen, aan den wetenschappelijken beoefenaar biedt, komen in dit proefschrift wel zeer duidelijk

voor den dag.

Laat ik mijn bezwaren aan een aantal voorbeelden toelichten.

Allereerst dan blijkt op verschillende plaatsen, hoe moeilijk het is voor iemand, die, met den besten wil bezield, de verschijnselen alleen als verschijnselen tracht te zien, zonder te oordeelen en te veroordeelen, om zich van de normatieve beschouwingswijze geheel los te maken. Reeds op blz. 4 komt de rechter, die niet alleen aanschouwt, maar ook oordeelt en veroordeelt, om den hoek kijken, als de schrij¬

ver wil nagaan, „in hoeverre en op watter wijze die slegte of verwaarloosde voorbereiding of opvoeding die egtelike verhouding benadeel . Op blz. 38 schrijft Cronjé de toeneming der echtscheiding in het oude Rome tegen het einde van de Republiek toe aan >,c?ie morele verdorwenheid wat die maatskappy binnengesluip het". Alles uitdrukkingen, die niet passen in het vocabulaire van den socioloog, die sine iza et studio de maatschappij slechts wil beschouwen en begrijpen.

Maar van veel grooter draagwijdte is de vermenging van sociologische en normatieve beschouwingswijze, die wij kunnen constateeren in het vierde hoofdstuk, handelende over „Die Huwelik".

De schrijver poogt, naar zijn zeggen, op te sporen het wezen van het huwelijk. Mij dunkt, dan had het de taak van den schrijver, als socioloog, moeten zijn, te onderzoeken welke sociale functie het huwelijk heeft in de huidige maatschappij, in de verschillende lagen der bevolking. Instede daarvan formuleert de schrijver een huwelijksideaal, dat hij meent te vinden in de persoonlijke verbondenheid, zinnelijk en geestelijk, van man en vrouw, de volpersoonlijke en tegelijkertijd boven-individueele levenseenheid. Volgens schrijver is het huwelijk, naar zijn wezen, deze eenwording, deze levenseenheid, deze levensgemeenschap. Het lijkt mij buiten twijfel, dat de schrijver hier niet de sociale functie van het huwelijk blootlegt, niet het huwelijk als sociaal verschijnsel verklaart, maar een ethische norm aanlegt naar wat, naar zijn en ongetwijfeld veler oordeel, een goed huwelijk is.

Pas in het daarop volgende hoofdstuk, reeds handelend over „Die Skeiding en die Ontbinding", gaat schrijver over tot bespreking van het huwelijk als een sociale instelling (blz. 110). Dat de sociale werkelijkheid van het huwelijk aan het hooge ideaal van den schrijver in het algemeen weinig beantwoordt, blijkt op verschillende plaatsen (zie o.a. blz. 266). Zeer sprekend is de meening van Robert Michels, aangehaald op blz. 184, nt. 3, dat volgens een schatting minstens driekwart van de hedendaagsche huwelijken geen eigenlijke liefdesverbintenissen zijn, maar conventioneele verhoudingen. Als dit waar is, dan is het toch wel zeer „onsociologisch' , de ware liefde tot de wezenskenmerken van het huwelijk te rekenen.

Een groot gevaar bij sociologische studies is wel, dat de schrijver altijd de neiging heeft zijn gezichtsveld tot den eigen maatschappelijken kring te beperken. Het ligt blijkbaar niet in de bedoeling van den schrijver, alleen de westersche volken tot object van zijn studie te maken — waarvoor diende anders het eerste hoofdstuk over „Die Natuurvolke"? Maar dan had