is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 1, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schrijver niet het recht het huwelijk bij de Chineezen, Britsch-Indiërs, Javanen (toch zeker geen natuurvolkeren) buiten beschouwing te laten. Had hij deze volkeren in zijn beschouwing betrokken, dan had hij wellicht ontdekt, dat de door hem opgestelde „wezenskenmerken van het huwelijk niet alleen met de werkelijkheid niet overeenstemmen, maar zelfs bij groote sociale groepen niet leven als

huwelijksideaal.

Zelfs krijgt men den indruk, dat de schrijver een enkelen keer zijn gegevens uitsluitend ontleent aan zijn eigen maatschappelijken kring, en verzuimt zijn oog te richten op andere sociale groepen binnen de westersche volkeren. Zou het materiaal, op blz. 163—176 verzameld over de opvoeding voor het huwelijksleven, voor de Nederlandsche plattelands-bevolking en de arbeiders in de groote steden evenveel belang hebben als voor de vrij beperkte groep van de stedelijke burgerij?

„Die Stadsleve" (Hoofdstuk VIII) schijnt wel wat idealiseerend geteekend. Zou werkelijk de stijging van het echtscheidingscijfer in de steden alleen een gevolg zijn van de bevrijding van de vrouw uit haar economische en geestelijke kluisters, en de „verinnerlijking van het huwelijk (blz. 236) en niet mede voor een belangrijk deel van de ontwrichtende factoren in het moderne stadsleven?

Het bezwaar, dat de schrijver, ondanks zijn opzet, telkens weer moeilijkheden heeft bij zijn pogingen, de door hem besproken verschijnselen zich te doen afteekenen tegen een socialen achtergrond, blijkt ook uit zijn historisch overzicht vanaf de Middeleeuwen (blz. 46 e.v.) Ondc nks de paar paragrafen over „Die Gesinstoestande' (blz. 55 e.v., 68 e.v.) en over „Die Familielewe" (blz. 81), valt de nadruk telkens op de formeele zijde, en de huwelijkswetgeving, niet op het huwelijk als sociaal verschijnsel.

Welk een gebrekkig en gevaarlijk middel de statistiek nog steeds is voor den socioloog, blijkt uit de bespreking op blz. 128 e.v. van de vraag, in hoever het hertrouw-motief van beteekenis is voor de totstandkoming van echtscheidingen. De schrijver vindt een zeer vernuftig middel om de beteekenis van het hertrouw-motief te bepalen: hij vergelijkt de huwelijken, binnen één jaar na echtscheiding voltrokken, met de huwelijken, binnen één jaar na ontbinding van het huwelijk door overlijden van een der echtgenooten. Inderdaad, een zeer goed vergelijkingsobject: bij de ontbinding door den dood kan van een „hertrouw-motief" fhphalve bii veraiftiainaen!) aeen sprake zijn.

Het resultaat is verrassend! Het blijkt, dat binnen het iaar na de ontbinding slechts twee

maal zoo veel gescheiden vrouwen hertrouwen als „weduwees", en nog minder „geskeies dan

„wewenaars". Cronjé trekt schielijk zijn conclusie: het hertrouw-motief is niet zoo belangrijk, de beteekenis ervan wordt geregeld overschat.

Maar, eiiieve, indien men goed nadenkt, bewijst de statistiek het omgekeerde van wat schrijver betoogt! Immers, het hertrouw-motief zal gewoonlijk slechts bij één der echtgenooten. niet bij beide aanwezig zijn. De eene hertrouwt binnen het jaar — de andere blijft misschien wel verstokt, vrijgezel! Cronjé had niet moeten vergelijken het aantal hertrouwde „geskeies en „wewenaars en weduwees maar het aantal

huwelijken, na ontbinding waarvan door aen dood, resp. door echtscheiding, binnen het jaar althans een der echtgenooten hertrouwt. En het spreekt van zelf, dat dan het verschil oneindig grooter was geworden!

* *

Thans rest te behandelen de vraag, welk materiaal wij aan het boek kunnen ontleenen voor een beoordeeling van de thans aanhangige wetsontwerpen.

Over den beroepsarbeid buitenshuis door de gehuwde vrouw verschaft de schrijver ons véél en belangrijke gegevens (blz. 193 e.v.). De bezwaren en gevaren hiervan springen bij bestudeering dier gegevens duidelijk in het oog (blz. 206 e.v.). De beroepsarbeid kan nadeelig zijn voor het gestel der moeder, èn daardoor ook de gezondheid van het kind benadeelen. Miskraam en doodgeboorte komen bij vrouwen, die loonarbeid verrichten, meer voor dan bij andere vrouwen (blz. 209), gelijk uit tal van statistieken blijkt. Ook de kindersterfte is in gezinnen, waar de moeder haar brood verdient, veel grooter dan waar de moeder zich geheel aan haar gezin wijdt. Opvallend is, dat indien de moeder wèl werkt, huiselijke arbeid (b.v.h et verzorgen van kostgangers) veel minder schadelijk is in dit opzicht dan arbeid buitenshuis.

De schrijver is dan ook van oordeel, dat „beroepsarbeid concurrentie is met het moederschap" (blz. 306).

Rest de vraag te beantwoorden, welke oorzaken de groote toeneming van den beroepsarbeid der gehuwde vrouw in de laatste tijden in de hand hebben gewerkt. Ook daarover verschaft het proefschrift licht. Het blijkt heel duidelijk, dat in het p roletarische gezin de economische nood de hoofdzaak is van dit verschijnsel, dat de moeder door de snelle industrialisatie, gewoonlijk tegen haar wil, werd gedwongen tot loonarbeid (blz. 194 e.v.). Zoolang de wortel van het kwaad, de economische nood, niet wordt weggenomen, zal bestrijding van den vrouwenarbeid in deze kringen derhalve wellicht nog meer ellende