is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 1, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheppen dan voorkomen. Maar ook buiten het proletarische gezin zijn de oorzaken van den arbeid der gehuwde vrouw hoofdzakelijk, bijna uitsluitend, van economischen aard (blz. 205). Van een economischen nood kan hier evenwel niet altijd worden gesproken, dikwijls gaat de vrouw in deze kringen verdienen om een bepaalden levensstandaard te kunnen handhaven (blz. 205; vgl. ook over de verhooging van den levensstandaard blz. 216).

Ook voor een beoordeeling van het echtscheidingsontwerp bevat het proefschrift rijk materiaal. -

Op blz. 122 e.v. wordt uitvoerig de vraag behandeld, of strenge wetgeving de echtscheiding, of het maatschappelijk verschijnsel der huwelijks- en gezinsontbinding, kan tegengaan, en of ruime bepalingen deze in de hand werken. De conclusie van den schrijver aan de hand van het door hem bewerkte materiaal is, dat wetsbepalingen als zoodanig niet als een oorzaak, laat staan de oorzaak, van de onbestendigheid van het huwelijksleven kunnen worden gezien. De oorzaken der huwelijks- en gezinsontbinding liggen, aldus de schrijver, in de maatschappij zelf.

„De groote leugen" als middel om tot formeele huwelijksontbinding te geraken, is niet een typisch-Nederlandsch verschijnsel. In den Staat New York, waar het hulpmiddeltje van bekentenis of verstek niet opgaat, is een nog bedenkelijker „groote leugen" in zwang: in plaats van het gefantaseerde overspel, het geensceneerde overspel (blz. 122; ook in Engeland bekend). En zelfs een volledig echtscheidingsverbod, gelijk het canonieke recht dit bevat, schijnt geen beletsel te zijn zelfs tegen een formeele huwelijksontbinding. Schrijver wijst op de talrijke zoogenaamde nietigverklaringen van huwelijken in de Middeleeuwen. En „hoe die saak ook al veergestel mag word, die nietigverklaring van 'n huwelik was niks anders dan die egskeiding van die middeleeue nie". Met instemming haalt de schrijver aan de woorden van Howard, „that there existed a very wide liberty of divorce in the Middle Ages, though it existed mainly for those who were able to pay the ecclesiastical judge for finding a way through a tortuous maze of forbidden degrees" (blz. 56). Ook hier dus ontbrak de leugen niet.

Het geheele historisch gedeelte is een doorloopend betoog ten bewijze van de onmacht van den wetgever op dit terrein (blz. 37 e.v. over de wetgeving van Keizer Augustus; blz. 41 e.v. over den invloed van het vroege Christendom).

Toch ontkwam ik na lezing van dit alles niet aan den indruk, dat de schrijver den invloed

van de wetgeving al te zeer onderschat. Even, op blz. 128, schijnt de schrijver zich bewust te worden van de mogelijkheid, om door wetgeving de openbare meening en de huwelijksbeschouwing op te voeden, en zoodoende het verschijnsel indirect te beïnvloeden, op een wijze, die „almost imperceptible" is. Heeft de schrijver niet te zeer de beteekenis van deze imponderabilia onderschat? Heeft hij wel voldoende rekening gehouden met de beteekenis van de wetgeving in het algemeen als socialen factor, als middel om het maatschappelijk leven te beïnvloeden? Heeft hij er zich wel rekenschap van gegeven, dat de invloed van det wetgeving, van het geheele recht, op de maatschappij .— en deze beïnvloeding is het eenig doel, de eenige functie van alle recht — gewoonlijk ,,almost imperceptible" is, slecht zeer langzaam werkt, en de tusschenkomst noodig heeft van de openbare meening?

En wat den inbreuk op de veelgeprezen „vrijheid" betreft, het beweerde recht van de echtgenooten om zelf hun levensweg te kiezen: is niet het geheele recht, de geheele wetgeving, een samenstel van inbreuken op de vrijheid, van pogingen om van overheidswege tot bepaalde gedragingen te stimuleeren, van andere af te houden, en op deze wijze de leden der maatschappij tot ander gedrag te brengen, dan zij anders, „in vrijheid" (onderstel, dat in een maatschappij zonder recht nog van eenige vrijheid sprake kon zijn), gekozen zouden hebben?

Indien het juist is, dat het gezin in de huidige maatschappij nog de belangrijke functie heeft te vervullen om een goede verzorging en opvoeding der kinderen te waarborgen (een punt, waaraan in de dissertatie eigenlijk niet voldoende aandacht is besteed), is het de vraag of een zoo belangrijk maatschappelijk probleem mag worden afhankelijk gesteld van een zoo labielen en delicaten factor als de „vereenigbaarheid", psychisch en physisch, der echtelieden <— in de huidige maatschappij volgens schrijver de grondslag van het huwelijk. Wij missen in het proefschrift een bespreking van het vraagstuk, of de ontwikkeling der kinderen meer schade ondervindt bij instandhouding van een lang niet ideaal huwelijk, dan bij een verbreking van den gezinsband. Is dit niet het geval, is een scheiding in het algemeen schadelijker dan de, soms niet vrij van huichelarij zijnde, min ideale huwelijksverhouding, dan moet de Overheid zich de vraag stellen, of zij de beslissing in dezen aan de vrije wilsbepaling der betrokkenen mag overlaten, of zij niet het recht heeft door wetgeving den menschelijken wil leiding te geven. Het is daarbij echter noodig, dat de wetgever in zijn pogen een redelijke kans van slagen heeft, en inderdaad den ge-