is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 2, 15-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moederschapszorg in te stellen; hulp te bieden bij ziekte en zoo noodig een rijkstoeslag te verleenen. Er waren voorts Kamerleden, die vreesden, dat de voorgestelde regeling zou leiden tot uitsluiting van vaders met veel kinderen. De bepaling, dat de bijslag niet op het loon zou mogen worden verhaald, achtte men van weinig practische waarde, daar de werkgevers hem toch als een deel van het loon zouden beschouwen. Daarom vreesde men van de invoering van den kindertoeslag ook een loondrukkende werking.

Voorts werden bezwaren geopperd tegen de toekenning reeds bij het derde kind. Enkele afgevaardigden achtten de grens te liggen bij het vierde kind. Ook het feit, dat geen loongrens werd aangegeven, werd als een hiaat in het voorstel beschouwd.

Op practische bezwaren, aldus deelde de minister in zijn beantwoording der gemaakte opmerkingen o.a. mede, stuitte de wensch af om ook aan de kleine zelfstandigen een bijslag te verleenen.

Het is wel merkwaardig, dat deze minister telkens weer, waar het geldt een maatregel te treffen, die naar zijn oordeel op principieele gronden is gebaseerd, om practische redenen juist hen moet uitsluiten, die het minstens even, zoo niet nog meer noodig hebben dan anderen. Wij herinneren in dit verband slechts aan de Werkvrouwen in het ontwerp tot verbod van Arbeid aan de gehuwde vrouw.-

Minister van Financiën ging heen.

Als een donderslag bij helderen hemel kwam voor velen het bericht van het aftreden van minister de Wilde als Minister van Financiën. Het is dan ook begrijpelijk, dat er eenige nieuwsgierigheid heerschte naar de redenen, die dezen bewindsman hadden genoopt dit besluit te nemen. Het communistische kamerlid D. Wijnkoop vroeg en verkreeg verlof tot het houden van een interpellatie. En het merkwaardigste, dat uit deze interpellatie te voorschijn kwam, was zeker wel de mededeeling van minister-president dr. H. Colijn, dat minister de Wilde reeds in September van het vorige jaar plan tot aftreden had.

Hieruit blijkt wel duidelijk, dat reeds maanden lang in den boezem der regeering verschil van meening bestaat over een zoo belangrijke aangelegenheid als het financieele beleid.

De zaak-Oss.

Ten slotte willen wij een enkel woord zeggen over de zaak-Oss.

Zooals onze lezeressen zich zullen herinneren,

werd een commissie ingesteld, die tot taak had te onderzoeken, of de maatregelen van den Minister van Justitie ten aanzien van de marechaussee te Oss den toets der critiek konden doorstaan.

Enkele weken geleden verscheen er rapport dier commissie, waarvan de conclusie was, dat den manschappen der brigade onrecht was aangedaan. Slechts één der vijf leden was een andere meening toegedaan. Voor een bewindsman op een plaats, die zoozeer verband houdt met het vertrouwen in een onpartijdige en onkreukbare rechtspraak in ons land, schijnt deze uitspraak een vonnis.

Waar deze kwestie maanden lang de gemoederen van talloozen heeft bezig gehouden, heeft de behandeling van dit rapport in de Tweede Kamer vanzelfsprekend zeer veel belangstelling getrokken. Iedere zitting was de publieke tribune meer dan gewoon bezet.

Tal van Kamerleden spraken hun afkeuring uit over de houding van den minister en drongen aan op eerherstel voor de manschappen. Het feit, dat de minister het onderzoek van de commissie had bemoeilijkt door het weigeren van betreffende stukken, had een onaangenamen indruk gemaakt.

De Minister van Justitie, Mr. Goseling, heeft in een rede van drie uur zijn beleid verdedigd. Men kreeg den indruk, volgens de bladen, dat er een man aan het woord was, die er eerlijk van overtuigd was, dat hij in zijn recht stond. De Minister heeft evenwel de meerderheid der Kamer niet overtuigd en deze meerderheid heeft ten slotte de eerste conclusie van het rapport der commissie aanvaard.

Kabinetscrisis.

De meeningsverschillen over het financieele beleid der regeering in den Ministerraad, die eerst het aftreden van Minister de Wilde tot gevolg hadden, hebben er ten slotte toe geleid, dat het geheele kabinet zijn portereuilles ter beschikking heeft gesteld. Vrijdag 30 Juni begaf de Minister-president, dr. H. Colijn, zich reeds zeer vroeg naar Soestdijk, waar de Koningin vertoefde, nog in den voormiddag werd bekend, dat dr. Colijn het ontslag van het Ministerie had aangeboden.

De Koningin heeft dit ontslag aanvaard, doch dr. Colijn tegelijkertijd opgedragen een nieuw Ministerie te vormen. Dr. Colijn heeft verzocht deze opdracht in beraad te mogen houden, hetgeen de parlementaire uitdrukking is voor: dat het wil pogen een kabinet te vormen. Lukt hem dit niet, dan deelt hij de Koningin eenvoudig mede dat hij de opdracht niet kan aanvaarden.

M. C. B.