is toegevoegd aan je favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 10, 1939, no 7, 15-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stiefmoeder of stiefvader goed voor deze kinderen zullen zorgen.

Bovendien kan een dergelijk huwelijksverbod tot ongewenschte, illegale verhoudingen leiden, waarvan kinderen daaruit geboren, in de weinig benijdenswaardige positie verkeeren hun geheele leven het stempel te dragen van onwettig kind. Ook bestaat er m.i. geen reden, dat in dit opzicht het huwelijk tusschen zwager en schoonzuster anders wordt behandeld dan elk ander huwelijk, waarbij overspel alleen een reden is tot huwelijksverbod als door een gerechtelijk gewijsde dit is komen vast te staan. En het is een goede gewoonte, dat in echtscheidingsprocedures vrijwel altijd vermeden wordt bij den eisch tot echtscheiding op grond van overspel, den naam te noemen van de(n) gene met wie(n) dit is gepleegd.

Op deze gronden heeft ook de „Onderlinge Vrouwenbescherming" na onderzoek van deze kwestie door een Commissie onder voorzitterschap van Mr. L. E. Visser, president van den Hoogen Raad, een rapport en adres aan den Minister van Justitie gezonden, met het verzoek om het huwelijksverbod van art. 88 lid 1 B.W. te schrappen.

Komen nu dergelijke huwelijken tusschen zwager en schoonzuster veel voor?

Uit het onderzoek van bovengenoemde Commissie bleek, dat in het tijdvak van 1931 tot en met 1935 bij het departement van Justitie 849 verzoeken tot dispensatie waren ingekomen; daarvan zijn 778 ingewilligd, 60 afgewezen en 10 ingetrokken.

Daaruit ziet men, dat in die jaren ruim 160 verzoeken jaarlijks ingediend zijn, en dat deze over het algemeen werden ingewilligd in een verhouding van 9 tot 1. Er moeten al zeer ernstige bezwaren bestaan tegen het gevraagde huwelijk, als de dispensatie wordt geweigerd.

Dit feit spreekt nog duidelijker uit de cijfers uit een langer periode, meegedeeld door den Minister van Justitie op verzoek van de Vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht.

In 10 jaren, n.1. van 1 September 1929 tot 1 September 1939 waren ingekomen 1740 verzoeken, dus ruim 170 per jaar. Daarvan zijn ingewilligd 1587, waaronder 1476 gevallen, waarin het huwelijk door den dood van den echtgenoot, door wien de zwagerschap was ontstaan, ontbonden was en 108 gevallen van echtscheiding. Slechts 153 verzoeken waren geweigerd, dus op de 12 gevallen ongeveer 1, op grond van ongeoorloofde betrekkingen of slechts levensgedrag.

Merkwaardig, dat ruim 50 jaar geleden de Staatscommissie van 1886, tot herziening van het 1ste boek van het Burgerlijk Wetboek een ruimer standpunt in dezen heeft ingenomen dan de tegenwoordige Regeering. Deze Staats¬

commissie heeft n.1. geadviseerd het geheele verbod van art. 88 lid 1 B.W. te schrappen, op grond van de volgende overwegingen:

„Huwelijken tusschen schoonbroeders en schoonzusters zijn niet zeldzaam. De geest van ons volk is daarvoor gunstig gestemd. De betrekking, die er tusschen dezulken bestond, wordt, wanneer de band, die hen als zoodanig verbond, verbroken is, zoo licht en zoo natuurlijk ontwikkeld tot den grond van een gelukkig huwelijk en indien er uit het vorige huwelijk kinderen zijn overgebleven, zullen deze gewoonlijk geen beteren vader, geen betere moeder kunnen terugbekomen, dan hem of haar, die aan de vorige zoo nauw verwant was. Men heeft daarom gemeend, zoodanige huwelijken niet alleen mogelijk te maken, maar zelfs geheel vrij te moeten laten, zonder daarvoor een dispensatie te eischen, die niet gevorderd moet worden voor iets, dat op zichzelf niet moet worden tegengegaan en terwijl men moeilijk zal kunnen bepalen, in welke gevallen deze verleend, in welke zij geweigerd dient te worden, mag tevens worden gevraagd of een weigering niet licht gevolgen zal hebben, die zoowel voor de maatschappij, pIs voor hen, die er in de naaste plaats bij zijn betrokken, minder wenschelijk zijn. De bepaling is machteloos om samenleving te voorkomen en als strafbepaling ongepast."

In lid 2 van hetzelfde artikel 88 B.W staat het huwelijksverbod, behoudens dispensatie door de Kroon, tusschen oom en nicht, en moei en neef. Voor dergelijke huwelijken bestaat heel wat minder animo; wat heel begrijpelijk is, gezien het gewoonlijk groote leeftijdsverschil tusschen beide partijen. Totaal waren er in de bovengenoemde 10 jaren binnengekomen 127 aanvragen, waarvan 117 ingewilligd.

De Minister achtte geen reden voorhanden deze verbodsbepaling te schrappen.

In elk geval is, niettegenstaande de beperkte strekking ervan, het in de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerp een verbetering, vergeleken bij den bestaanden toestand. En zooals uit bovengenoemde cijfers is bewezen, is een huwelijk tusschen zwager en schoonzuster volstrekt niet in strijd met de opvatting van ons volk. Ook heeft de schrapping van dit huwelijksverbod het voordeel, dat veel administratieve arbeid daardoor wordt vermeden en kosten worden gespaard... Ook dit is een voordeel.

B. Bakker-Nort.