is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 1, 1927, no 10, 01-09-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IETS OVER ONZE HUWELIJKSWETGEVING.

door

Mr. M. A. SCHAEFER-VAN OPPEN.

(Vervolg).

II. De vermogensrechtelijke verhouding der echtgenooten.

Ook hier ziet men, dat de man alle macht in handen heeft. Niet alleen beheert hij de goederen der gemeenschap en heeft daarover een vrijwel onbeperkt beschikkingsrecht — t.o. van het doen van schenkingen uit de goederen der gemeenschap is zijn macht beperkt —, doch bovendien kan hij zijn echtgenoote beletten eenige rechtshandeling te verrichten door zijne daartoe door de wet vereischte machtiging te weigeren. De gehuwde vrouw, zegt de wet, kan niet in rechten verschijnen zonder bijstand van haren man; zij wordt dus als een onmondige beschouwd. De bijstand acht de wet tc.hter niet noodzakelijk:

ie. wanneer de vrouw in strafzaken vervolgd wordt;

_'e. in eene rechtsvordering tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed, of van goederen.

In de drie gevallen sub 2e is het logisch het verleenen van bijstand door den man niet verplichtend te stellen. In het eerste doet dit echter wel vreemd aan in een systeem, waar de wetgever zich, naar men beweert, de bescherming van de gehuwde vrouw steeds voor oogen heeft gesteld.

Bij deze processueele onbevoegdheid der gehuwde vrouw past geheel haar beschikkingsonbevoegdheid wat betreft de goederen der gemeenschap. Zooals ik reeds zeide, is de man hierover heer en meester, bezit hij hier een macht, welke, helaas, zeer vaak ten nadeele van de vrouw wordt aangewend. In arbeiderskringen is het niets bijzonders als een man al het huisraad te gelde maakt, om daarna vrouw en kinderen te verlaten cn van het aldus verkregen geld goede sier te maken. De vrouw moet dan zien hoe ze zich redt. De man is dus vrijwel onbeperkt heerscher van de gemeenschap. De gehuwde vrouw daarentegen mag niets vervreemden, weggeven, verpanden, verkrijgen, hetzij om niet, hetzij onder eenen bezwarenden titel, zonder bijstand van haar man of zijn schriftelijke toestemming. Ten opzichte van het aangaan van verbintenissen in verband met het voeren van de huishouding bepaalt de wet echter, dat verondersteld wordt, dat de man zijn echtgenoote daartoe machtiging heeft verleend. Deze bepaling is een concessie aan de praktijk en geen toekenning van een recht aan de vrouw tot het voeren der huishouding en het verrichten van alle daarvoor, noodige handelingen. De man heeft ten allen tijde de bevoegdheid te kennen te geven, dat hij de door de wet veronderstelde machtiging niet verleent en door dit — b.v. in de dagbladen — bekend te maken zijn vrouw te beletten inkoopen te doen ten behoeve van de huishouding. De vrouw vermag tegen een dergelijk optreden van haar man absoluut niets, hoe ongegrond en onbillijk dit ook moge zijn. De man kan dus door de vrouw haar crediet te ontnemen haar dwingen met het door hem vastgestelde huishoudgeld tegen eventueele spilzucht van zijn echtgenoote. De laatste echter staat weer geheel machteloos als haar heer en meester haar een te gering bedrag uitkeert ter bestrijding van de dagelijksche uitgaven.

De wet veronderstelt, dat gewoonlijk in een huwelijk algeheele gemeenschap van goederen zal bestaan. Zij laat echter de mogelijkheid open door huwelijksche voorwaarden — welke vóór het aangaan van het hu¬

welijk bij notarieële acte moeten worden verleden en na de voltrekking van het huwelijk niet meer mogen worden gewijzigd — af te wijken van de regelen t.o. van de wettelijke gemeenschap vastgesteld. Zij mogen echter geen bepalingen bevatten, die afwijken van de rechten welke uit ide macht van den man als zoodanig voortspruiten, noch van die, welke den man als hoofd der echtvereeniging toekomen, „behoudens echter het vermogen der vrouw om voor zich te bedingen het beheer harer roerende en onroerende goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten". Doet zij dit laatste niet dan zijn ook deze vruchten en inkomsten ter beschikking van den man.

Verder kan bedongen worden dat de onroerende goederen, inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld en andere op naam staande effecten en inschulden aan de vrouw toebehoorende, buiten hare medewerking niet mogen worden vervreemd en bezwaard. Waar echter onder deze opsomming niet vallen de niet op naam staande effecten, welke in den regel het hoofdbestanddeel vormen van het vermogen, zal vaak een zeer belangrijk deel van de bezittingen de vrouw niet aan het beschikkingsrecht van den man zijn onttrokken.

De wet kent: ie. algeheele gemeenschap van goederen; 2e. uitsluiting der gemeenschap van goederen; 3e. gemeenschap van winst en verlies, waarbij de algeheele gemeenschap van goederen wordt uitgesloten, maar bij de ontbinding der gemeenschap de door de echtgenooten gedurende het huwelijk verkregen winsten en verliezen, tusschen hen worden verdeeld.

4e. gemeenschap van vruchten en inkomsten, waarbij de algeheele gemeenschap van goederen wordt uitgesloten en slechts de vruchten en inkomsten van ieders vermogen en de verdiensten uit arbeid der echtgenooten de gemeenschap vormen. In sub 3 en 4 hebben we dus een beperkte gemeenschap aan goederen.

Zoowel de algeheele gemeenschap van goederen als de beperkte wordt ontbonden door: ie. den dood;

2e. het huwelijk van een der echtgenooten, met verlof van den rechter, na afwezigheid van den anderen echtgenoot gedurende een bepaalden tijd: 3e. echtscheiding;

4e. scheiding van tafel en bed;

5e. scheiding van goederen.

1 Iet zou mij te ver voeren, indien ik al deze vormen vin ontbinding der gemeenschap afzonderlijk zou behandelen. Bij sub 5 wil ik echter even stilstaan.

De vrouw kan, volgens de wet, scheiding van goederen vragen aan den rechter als haar echtgenoot door kennelijk wangedrag de goederen der gemeenschap verspilt en het huisgezin aan ondergang blootstelt, of de aan haar persoonlijk toebehoorende goederen in gevaar brengt. Deze veelbelovende bepaling blijkt in de praktijk van weinig nut te zijn, omdat een door den man gevoerd wanbeheer eerst bewezen zou kunnen worden indien door hem rekening en verantwoording werd afgelegd. Doch de jurisprudentie is in het algemeen van oordeel, dat de heiligheid van het huwelijk niet te vereenigen is met een recht van de vrouw om staande het huwelijk van haar echtgenoot rekening en verantwoording te eischen van het door hem gevoerde beheer. En op andere wijze zal het, vooral als de vrouw zich zelf het beheer over haar persoonlijk eigendom niet heeft voorbehouden, voor de vrouw uiterst moeilijk, meestal onmogelijk zijn aan te toonen, dat de door de wet geëischte redenen tot het indienen van een vor-