is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 3, 1928-1929, no 4, 01-02-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OM TE LEEREH LEZEH!

Deze titel geeft de bedoeling van deze vier boekjes duidelijk genoeg aan. Elke nieuwe letter in kleur gedrukt. „Om te leeren lezen" is een serie van vier boekjes met vele plaatjes door F.H.N. Bloemink en kost per deel gecartonneerd slechts f —.80

BOEKHANDEL en AHTIQUARIAJIÏ

G. KOLFF & Co.

Batavia — Weltevreden — Leiden

wordt verleend aan de wapenfeiten, terwijl aan geestesstroomingen weinig aandacht wordt geschonken. Het verliezen van een oorlog wordt daarin voorgesteld als smaad". Spreekster haalde tal van voorbeelden uit de verschillende geschiedenisboekjes ter toelichting aan. Ook zou zij gaarne zien, dat de opleiding der onderwijzers meer pacifistisch was, zoodat zij beter in staat zouden zijn de kinderen de vredesgedachte bij te brengen, zooals de Volksraad dat wenscht. Spreekster verzoekt den minister stappen te doen om den nieuwen geest bij het geschiedenisonderwijs te bevorderen. Nationalisme acht Mevrouw van Itallie een ziekte; zij waarschuwt daarom tegen het aankweeken daarvan bij kinderen. Daarvoor in de plaats moet internationalisme kor-ien.

De Heer van Dijk (Anti-Rev.) is het absoluut oneens met de opvattingen van Mevr. van Itallie. Afgescheiden van het feit, dat de Regeering niets te zeggen heeft over de geschiedenisboekjes, acht spreker het noodzakelijk, dat oorlog en vrede daarin worden weergegeven zooals de feiten zijn. Verdoezelt men die, dan miskent men Gods leiding in de geschiedenis.

Nationalisme acht spreker van zoo grcot belang voor een volk, dat hij het een ramp zou vinden indien het overschaduwd werd door internationalisme. Nationalisme is liefde vcor den Vaderlandschen bodem, dien men desnoods met geweld van wapenen moet verdedigen tegen een buitenlandschen vijand.

De Heer Kersten (S. G. P.) bestrijdt met groote heftigheid Mevr. van Itallie's betoog. Pacifisme acht hij uit den booze, aangezien het aan het volk zijn kracht ontneemt. Het fundament van de opvoeding, die Mevr. van Itallie aan de kinderen wenscht te geven, is ondeugdelijk en gevaarlijk en geeft ons land bloot aan iederen vijand. De pacifistische geest is niet de geest van God, evenmin van de oude gereformeerde vaderen. Hij is gebouwd op den leugen van het humanisme. De wonderen Gods zijn dikwijls juist in den oorlog tot uiting gekomen. De God van Nederland heeft onze wapens gezegend. Dit moeten we onze kinderen diep in het hart prenten. Het is een schande, roept hij uit, dat men den moed heeft om aan te tasten wat eenmaal door God is gedaan in ons land en dat er een geslacht optreedt zonder moed en zonder kracht.

De Heer Kleerkooper (S.D.A.P.) begrijpt den Heer van Dijk niet, als deze zegt, dat de feiten uit de geschiedenis niet weggedoezeld mogen worden. Maar worden deze in de geschiedenisboeken der confessioneele scholen dan niet telkens gekleurd in de tint van de levensbeschouwingen der verschillende richtingen? Zouden de Engelsche Christenen de Engelsche oorlogen niet anders beschouwen dan Nederlandsche Christenen? Men kan de histoire de bataille doceeren als de leiding Gods, maar eveneens als het gevolg van het zich onttrekken aan die leiding.

Het pacifisme is, zegt spreker, wel degelijk liefde voor het vaderland, maar zoo zuiver, dat het ook het vaderland van anderen niet wil aantasten, (bravo, Heer Kleerkooper!). Er is geen zuiverder vaderlandsliefde dan op den grondslag van het pacifisme. De geschriften van Israël spreken van waarheid en vrede. Spreker herinnert aan het woord: Wie het zwaard trekt, zal door het zwaard vergaan.

(Uittreksel uit het korte verslag v.d. Tweede Kamer).

DE NIEUWE WET OP DE NAAMLOOZE VENNOOTSCHAPPEN.

Gij behoeft niet te schrikken, lezeressen. Ik zal U niet vermoeien met tekst en uitleg van de nieuwe wet. Natuurlijk moet gij haar wel leeren kennen, maar daar zullen de afdeelingen wel voor zorgen, die zeker een spreekster of spreker zullen uitnoodigen om U er mede in kennis te stellen. Wat ik U wilde mededeelen is, dat er voor ons, vrouwen, in deze wet en hare totstandkoming veel leerrijks is.

Reeds tientallen van jaren geleden heeft men gevoeld, dat de maatschappij beschermd moest worden tegen de uitwassen van een eenmaal goed bedoelde wet. Als men nagaat, hoeveel gezinnen, hoeveel alleenstaande vrouwen en weduwen, hoeveel kinderen in den loop der jaren benadeeld zijn door de verkeerde praktijken van de besturen van vele Naamlooze Vennootschappen, die zich zelf konden bevoordeelen ten koste van al deze arme onkundigen, dan staat men versteld, dat er tientallen jaren noodig waren om deze wet tot rijpheid te brengen.

En nog was het een gelukkige coïncidentie dat juist ten tijde van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer de débacle bij de Veendammerbank door de Justitie behandeld werd, waardoor aan het licht kwam, hoeveel openingen er in die oude wet waren, waardoor gewetenlooze bestuurderen vrij konden gaan, de meest afschuwelijke diefstallen plegende ten koste van weduwen en weezen zonder in aanraking te komen met de strafwet, of, zoo zij er al mee in aanraking kwamen, er zonder kleerscheuren af te komen, — anders waren misschien toch nog vele kamerleden gezwicht voor de sterke oppositie tegen dit wetsontwerp.

Het feit, dat zooveel vrouwen en kinderen dupe konden worden van uitwassen van wetten, legt onze vereeniging de verplichting op naar de mate van hare krachten mede te werken ter verbetering van zekere toestanden.

De grondoorzaak toch ligt daarin, dat wij vrouwen, — trouwens ook de mannen, die niet direct met geldtechniek te maken hebben —, niets of weinig afweten van de verplichtingen, die wij in geldzaken op ons nemen en van de rechten, die wij daarbij verkrijgen. De gelegenheid maakt de dief, en door groote onkundigheid van de tegenpartij wordt een goede gelegenheid tot misbruik geschapen.

Onze vereeniging kan hierin veel goeds tot stana brengen en dat wel op drieërlei wijze: