is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 4, 1929-1930, no 4, 16-01-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4e Jaargang

JANUARI 1930

No. 4

MAANDBLAD VAN DE VEREEN1GING VOOR

VROUWENKIESRECHT

IN NEDERLANDSCH-INDIË

HOOFDBESTUUR:

Mevr. S van Overveldt-Biekart, wd. Pres., Sf. Tjipiring, Kendal. Mej. M. Sassin, Secr., Soendaweg 41 .<-* Mevr. A. M. Timmerman de Stuers, wd. penningmeesteres, Tanah AbangKeuvel 91. —'

R. Ajoe Santoso, Koedoes.

Het auteursrecht voor deze aflevering wordt voorbehouden.

Stukken, correspondentie, Advertentiën enz. moeten in het bezit van de redactie zijn vóór den len der maand Adres: Mevr. TIMMERMAN DE STUERS, Tanah

Abangheuvel 91 Aangeteekende stukken s.v.p Bijkantoor Tanah Abang.

PRIJS PER ADVERTENTIE ƒ 4.— per % bladzijde BIJ JAAR-ABONNEMENT 10%, en bij HALF-JAARLIJKSCH ABONNEMENT 5% korting. LEDEN ontvangen het MAANDBLAD GRATIS. ABONNEMENTSPRIJS voor niet-leden ƒ 2.50 p. jaar.

INHOUD:

De Volksraadverkiezing in 1930. — Als ik een vrouw was — Als ik een man was . .

Frankrijk. — Internationaal Kinderinstituut. — „Houdt de lampen brandende". — Uit den Volksraad, verslag Afd. Madioen.

. . — Vrouwenkiesrecht in De Huwelijkspiloot. — Jaar-

DE VOLKSRAADVERKIEZING IN 1930.

In 1930 staan de verkiezingen en benoemingen voor den Volksraad weer voor de deur.

Ij weet het allen wel, dat het aantal Nederlandsche leden van den Volksraad in dit jaar met 5 verïiiiiicicrd wordt.

Onze kans om eene Nederlandsche vrouw in den Volksraad te krijgen was onder de vroegere omstandigheden toch al gering daar het besef, dat vrouwelijk inzicht noodzakelijk is in Indië's hoogste vertegenwoordigend lichaam, dat het „volk" zooveel mogelijk in al zijn samenstellende deelen vertegenwoordigen moet, helaas nog niet is doorgedrongen tot hen, die daarvan in de eerste plaats doordrongen moeten zijn, wil men geen eenzijdige behartiging van belangen krijgen. Onder de nieuwe omstandigheid, dat het aantal Nederlandsche vertegenwoordigers verminderd is met 5, d.w.z. met ruim 16 %, is die kans zoodanig verkleind, dat het zelfs met veel goeden wil moeilijk zou zijn, een plaatsje voor de „vrouw" vrij te maken, zonder schele oogen te maken bij den man, die dientengevolge van zijn zetel zou moeten opstaan.

Moeten wij vrouwen dan maar bij de pakken neerzitten en onze wenschen opgeven ? Natuurlijk niet, in geen geval!

Eenige jaren gelederi, toen het aantal Volksraadleden verhoogd werd met 12, wees onze vereeniging de Regeering op deze buitengewoon-gunstige omstandigheid en vroegen wij de Regeering om de vrouwen twee plaatsen af te staan, — een voor een Nederlandsche en een voor een Inheemsche vrouw.

Daardoor zou ten onze behoeve geen plaats aan een zittend man ontnomen behoeven te worden (wat voor beide partijen altijd iets pijnüjks heeft).

De Regeering meende toen, dat verzoek te moeten afwijzen.

Hoe jammer het is, dat het te kort aan inzicht of liever de onderschatting van deïï arbeid en de waarae der vrouwen bij de Regeering voor ons deze gunstige kans voorbij het gaan, nu de omstandigheden minder gunstig zijn, moeten wij er tóch op blijven aandringen, dat men, dat is de Regeering, met onze wenschen rekening zal houden en eindelijk een eind zal maken aan het malle geval, dat Indië, een deel van de Nederlandsche natie, die reeds sedert ruim tien jaren vrouwen in alle vertegenwoordigende lichamen heeft, nog steeds eene volksvertegenwoordiging heeft, waarin slechts de eene helft der bevolking vertegenwoordigd is en de vrouwen feitelijk uitgesloten zijn, niettegenstaande de wet haar recht geeft om in den Volksraad zitting te nemen.

Niemand denkt er tegenwoordig toch meer aan, zooals vroeger wel naïvelijk en te goeder trouw gedaan werd, dat de man onze, dat zijn de vrouwen en de gezinsbelangen in engeren zin, de daaruit voortvloeiende algemeene belangen in ruimeren zin, even goed zal behartigen als wij zelf dat zouden doen.

Neen, al lijkt het, dat wij, Nederlandsche vrouwen momenteel strijden voor een verloren zaak, wij moeten den moed niet opgeven; eenmaal zal ook onze dag komen.

Voor de Inheemsche vrouw staat de zaak gelijk-