is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 4, 1929-1930, no 7, 16-04-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te merken, dat aan uitbreiding van politieke rechten zal moeten voorafgaan de volksontwikkeling, welke evenwicht zal brengen tusschen de reeds geboden ruime gelegenheid tot daadwerkelijke deelneming aan de behartiging van de publieke zaak en het algemeen vermogen tot vervulling van eene zoodanige zelfwerkzaamheid, waarvan de uitgroei bij het scheppen van die gelegenheid werd verondersteld.

Wil men dien uitgroei in waarheid bevorderen, dan is na de nog zeer kort achter ons liggende periode, waarin nieuwe staatkundige vormen in het aanzijn werden geroepen, thans allereerst noodig een tijdvak van assimilatie, van rustig bezinken, dat toelaat die nieuwe, aan het Westen ontleende vormen het geestelijk eigendom te doen worden van de Oostersche samenleving en daarmede de rechtvaardiging te brengen van het vertrouwen, dat door den wetgever in die samenleving werd gesteld.

Dit geldt mede voor de uitbreiding van het kiesrecht der vrouw, waarvan de mogelijkheid wel in de eerste plaats in Indië aan de hand van de zich daar openbarende teekenen van belangstelling en van besef van verantwoordelijkheid dient te worden beoordeeld."

#

Het antwoord van den Minister is, voor zoover het 't vrouwenkiesrecht raakt, met één woord te critiseeren als nietszeggend. Met een Jantje van Leydèn maakt zijn Excellentie er zich van af.

Het kiesrecht, voor zoover de vrouw dat heeft in Indië d.i. het passieve kiersecht voor den Volksraad, werd haar onthouden door den Landvoogd, die het al die lange jaren van de instelling van den Volksraad af, in de hand had vrouwen in den Volksraad te benoemen en dat niet deed.

Zoolang alleen mannen het actieve kiesrecht hebben, weet men, dat zij alleen in gevallen van eigenbelang een vrouw zullen helpen verkiezen, daar er aan de vervulling van het lidmaatschap van de volksvertegenwoordiging, 't zij in Nederland, 't zij in Indië, voordeelen verbonden zijn, die zij veel te gaarne aan zich houden terwijl bovendien de z.g. mannelijke meerwaardigheidstheorie, die zoovelen eeuwen lang het inzicht der mannen beheerscht heeft, hen moeilijk brengt tot het afstaan van macht. De ervaring in de heele wereld heeft dit geleerd; diezelfde ervaring doet men nu ook op in Indië, zoodat een verkiezing van een vrouw in den Volksraad uitgesloten is, zoolang alleen mannen het actieve kiesrecht hebben.

De Landvoogd echter heeft het recht van benoeming; een recht, dat hem gegeven is om aanvullend te werk te kunnen gaan, indien de verkiezingen niet alle groepen tot hun recht doen komen. Dit is dus ook voor de vrouw de aangewezen weg om te komen op de plaats, die de wetgever haar toegedacht heeft. Sinds het bestaan echter van den Volksraad (1918)

is stelselmatig eerst onbewust, daarna bewust (de herhaalde verzoekschiften van de Ver. van Vrouwenkiesrecht werden genegeerd) de plaats aan de vrouw onthouden.

Is dit niet een opzettelijk misverstaan van den wetgever ?

Ln nu wat de criteria van den Minister aangaat:

Hoe willen de vrouwen haar besef van verantwoordelijkheid openbaren, als haar die gelegenheid wordt onthouden ter plaatse, waar zij dat besef kunnen demonstreeren ?

Belangstelling voor de openbare zaak is er voldoende, zoowel van Hollandsche als van Inheemsche zijde. Hoevele Boedi Kemoelians, hoevele scholen, hoevele cursussen in allerlei vakken werden er in de laatste jaren niet opgericht door de Hollandsche vrouwen met hulp der Inheemsche vrouw?

Hoevele verzoeken gingen naar den Directeur van Onderwijs om in bepaalde behoeften te voorzien op het punt van onderwijs en hygiëne; naar den Directeur van Justitie om bepaalde verlangens in het belang van vrouwen en kinderen kenbaar te maken, waar het de reclasseering betreft (voogdijraden) en andere zaken?

De belangstelling van de vrouw kan dus niet ontkend worden. Kan dat van de mannen gezegd worden, die het kiesrecht kregen, zelfs alvorens zij er om gevraagd hadden ?

Waarom wordt de maat voor de vrouw dan weer anders genomen dan voor den man? Kan het in het belang van de maatschappij zijn, de vele uitnemende krachten, die er onder de vrouwen zijn, onbenut te laten ?

En om op dat besef van verantwoordelijkheid terug te komen, hoe wil men dat bepalen en wie moet dat bepalen ?

Als men het van Regeeringswege had willen ontdekken, dan had zij dat reeds lang kunnen doen.

Want dat het besef van verantwoordelijkheid in de vrouwen leeft, toonen zij door haar houding gedurende al deze jaren, waarin met haar belangen geen rekening werd gehouden, en zij als quantité negligeable uitgeschakeld werden.

Als de vrouw dat besef niet gehad had, dan zou zij reeds lang onrust en revolutie gepredikt hebben, zooals sommige mannen deden, die dat besef van verantwoordelijkheid missen en desniettegenstaande in den Volksraad zitting hebben; mannen, die van de onschendbaarheid te dier plaatse gebruik maken op een wijze, die door den wetgever niet bedoeld is.

* * *

En als belooning voor deze opmerkelijk rustige en waardige houding der vrouwen, — een houding, die alleen te verklaren is en ook inderdaad voorspruit uit het vaste geloof, dat eenmaal ook aan de vrouw