is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië, jrg 4, 1929-1930, no 7, 16-04-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister zal mij antwoorden: er zijn niet veel Kartini's. Maar toch ziin er ook nu wel enkele. En zoo is het ook onder de Hollandsche vrouwen. De opvolgsters van de generatie, wier werk nog in liefde door de gemeenschap wordt herdacht, staan ook nu gereed haar beste krachten te geven ter wille van Indië en binnen den Volksraad.

Als wij nu het antwoord van den Minister op het Voorlcopig Verslag lezen, dan negeert dat volkomen de quaestie van het passief vrouwenkiesrecht, ondanks de aandacht, die er in het Voorloopig Verslag aan was gewijd. De Minister zegt alleen in het algemeen, dat volgens hem in de naaste toekomst geen behoefte bestaat aan uitbreiding van het aantal Volksraadsleden. In hoeverre de Minister hier gelijk heeft, waar hij het oog laat gaan over allerlei groepen en klassen in de algemeene maatschappij, wil ik op dit oogenblik niet beoordeelen.

Ik zal die quaestie heden niet entameeren. Ik wil alleen zeggen, dat men vrouwen niet kan rangschikken onder zekere „groepen", waar het hier gaat om een heele sexe, die grooter is dan de helft van de geheele bevolking. Waarom zou men die sexe niet aannemen als hulp van den man, waar zij dat overal kan, in het sociale, in het gezinsleven en ook in het wetgevend leven hier te lande? Waarom zou men haar kijk en ziel uitschakelen, waar het de Indische wetgeving betreft? Natuurlijk willen wij niet de mannen en zelfs niet enkele mannen uit den Volksraad doen vervangen door vrouwen. Dit spotbeeld van het feminisme, dat op het echte feminisme nooit heeft gepast, zal door geen der vrouwen in deze Kamer worden naar voren gehaald. Maar wel wilde ik, dat enkele nieuwe plaatsen in den Volksraad geschapen werden, die, in overleg met den GouverneurGeneraal, door vrouwen zouden kunnen worden bezet, waar toch het passief kiesrecht voor vrouwen ook in Indië toelaatbaar is.

Op een verwijt van den heer Albarda, dat de Minister onaandoenlijk is, heeft de Minister met verontwaardiging geantwoord, dat hij dat niet is. Ik geloof ook wel, dat de Minister niet onaandoenlijk is, ook al gelukt het hem niet dit vaak naar buiten te doen blijken. Maar laat de Minister dan toonen, dat hij zeker niet onaandoenlijk staat tegenover dit vraagstuk, dat hij voelt voor het symbool en voor de samenwerking van mannen en vrouwen, zoodat hij ten slotte in samenwerking met den GouverneurGeneraal wel termen zal kunnen vinden om enkele vrouwen te benoemen tot lid van den Volksraad.

Mej. Westerman aan het woord: Mijnheer de Voorzitter! Terwijl ik mij grootendeels kan aansluiten bij wat door mevrouw van Itallie—van Embden is gezegd, die nog eens onderstreepte wat door mevrouw Bakker—Nort en mij reeds eerder ten aanzien van de wenschelijkheid van benoeming van vrouwen in

den Volksraad is betoogd, wil ik toch nog de aandacht vestigen op een passage in de Memorie van Antwoord, waarin de Minister opmerkt, dat aan uitbreiding van politieke rechten der groepen, waarvoor die rechten worden gevraagd, ontwikkeling moet voorafgaan. De Minister zegt:

„dat aan uitbreiding van politieke rechten zal moeten voorafgaan de volksontwikkeling, welke evenwicht zal brengen tusschen de reeds geboden ruime gelegenheid tot daadwerkelijke deelneming aan de behartiging van de publieke zaak en het algemeen vermogen tot vervulling van een zoodanige zelfwerkzaamheid, waarvan de uitgroei bij het scheppen van die gelegenheid werd verondersteld."

En verder:

„Dit geldt mede voor de uitbreiding van het kiesrecht der vrouw, waarvan de mogelijkheid wel in de eerste plaats in Indië aan de hand van de zich daar openbarende teekenen van belangstelling en van besef van verantwoordelijkheid dient te worden beoordeeld."

In beginsel is deze bewering zeker juist, maar ook het kiesrecht der Hollandsche vrouw is in Indië gekoppeld aan dat der Inheemsche vrouw en men weet, dat de Inheemsche vrouw, door godsdienst en adat gebonden, nog veel jaren zal moeten strijden voor zij dezelfde rechten zal hebben verkregen als de man en zoo ziet men, dat de Hollandsche vrouw, die hier als volwaardig Staatsburgeres het kiesrecht uitoefent, in Indië gekomen, in haar recht achterstaat bij den minst ontwikkelden Inheemschen man.

Dat is een toestand, waarin toch noodzakelijk verandering moet worden gebracht. Een begin zou moeten worden gemaakt door het kiesrecht der vrouw aan zekere voorwaarden te binden, waaraan ook naast de Hollandsche vrouwen ook vele Inheemsche vrouwen zouden kunnen voldoen. Maar laat men beginnen het kiesrecht aan de vrouw te geven, in welken vorm dan ook. Wij hebben thans echter niet zoo zeer het oog op de uitbreiding van het kiesrecht, als op de verkiesbaarheid der vrouw. Wanneer op papier uitbreiding van het kiesrecht zou worden gegeven, maar in de practijk zouden de bepalingen geen toepassing vinden, dan zou dezelfde toestand ontstaan, als we nu al jaren beleven met het recht der vrouw om te worden gekozen.

Zoolang de Volksraad bestaat, heeft de vrouw het recht in dat lichaam te worden gekozen, ook om in den Volksraad te worden benoemd door den Gouverneur-Generaal. Het recht van benoeming is gelegd in de handen van den Gouverneur-Generaal, om te zorgen, dat alle groepen vertegenwoordigd zijn.

(Wordt vervolgd). Indonesische Drukkerij, Weltevreden.