is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 6, 1931-1932, no 5, 01-02-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den een zéér, zéér voordeelig baantje en zal er zeer zeker hevig protest gevoerd worden door de betrokken personen, tegen het opdoeken van deze instelling.

Voegt men bij de formidabele som, die jaarlijks voor dit College moet worden betaald, nog de standplaatstoelagen, de receptiegelden, het meerdere personeel dat benoodigd is, de drukkosten en niet te vergeten het vele papier, dat verbruikt wordt, dan komt men jaarlijks toch al heel dicht bij de 1 millioen, dat de gedelegeerden jaarlijks aan den lande kosten.

In vele kringen rijst thans dan ook de vraag: Was een instelling van dit College zoo noodzakelijk geweest en wettigen de prestaties de enorme kosten, die het met zich meebrengt?

Kendal S. van Overveldt-Biekart.

WAARSCHUWING.

In de op 22 Januari j.1. gehouden ledenvergadering van de Afd. Batavia van den Ver. van Vrouwenrechten werd gesproken over het feit, dat de veiligheid van den dag in den laatsten tijd zeer veel te wenschen overlaat.

Naar aanleiding daarvan heeft de vereeniging van Vrouwenrechten die strijdt voor bescherming van vrouwen en kinderen, een schrijven gericht aan den hoofdcommissaris van politie, waarin wordt te kennen gegeven, dat het noodzakelijk is pogingen in het werk te stellen om de dagelijks voorkomende gevallen van aanranding en berooving of pogingen daartoe tegen te gaan; hetzij door verscherpt politietoezicht, hetzij anderszins.

MAAR HET IS NIET UITSLUITEND EEN POLITIETAAK.

De vrouwen in de eerste plaats mogen geen aanleiding geven. Hoe dikwijls dragen de dames hun tasschen en voorwerpen van waarde te achteloos en maken het voor anderen gemakkelijk zich daarvan meester te maken.

Op ons rust ook de plicht de kinderen te wijzen op de gevaren van den weg.

Door bedachtzaamheid onzerzijds en maatregelen van de politie kunnen voorvallen, zooals bovenbedoeld toch zeer zeker minder worden en het geschokt vertrouwen in de veiligheid van den openbaren weg weer herstellen.

ONDERWIJS AAN MEISJES IN POLEN

door W. LOUWAARS.

Het vraagstuk v/d opvoeding en ontwikkeling van de meisjes heeft evenzeer als in andere landen van Europa ook in Polen gedurende de laatste jaren aan actualiteit gewonnen.

Ongeveer 80% van alle P.-vrouwen bekleeden een beroep. Zij maken 40% uit van de in een beroep of betrekking werkzame personen. De jonge vrouwengeneratie begrijpt zeer goed, dat zij evengoed opgevoed en opgeleid moet worden als de mannelijke wanneer zij later in de maatschappij haar zelfstandigheid en onafhankelijkheid wil handhaven en versterken.

De trek van meisjes naar de scholen van elke soort neemt jaar op jaar toe. Zij vormen reeds 37% v/d heele schoolbevolking v/d middelbare scholen. Volgens de telling 1926—27 bedraagt het aantal leerlingen van middelb. scholen in totaal 215.470, w.o. 79.398 meisjes. Tot nog toe liet de staat de zorg voor 't middelb. onderwijs aan meisjes over aan het part. initiatief. Dit verklaart het geringe aantal meisjesscholen: slechts 33 tegenover 196 jongensscholen en 44 gemengde scholen. Van de 526 bijzondere middelb scholen zijn er echter de helft voor meisjes, bijna 1/3 gemengd.

Wat het hooger onderw. betreft: op 1 Dec. 1927 waren op de rijks- en bijzondere hoogescholen 31.000 mannelijke en 10.600 vrouwelijke studenten. Steeds komen er echter meer vr. advocaten, medici en ingenieurs.

Het bevreemdt daarom te meer dat een zeker deel van het leerarencorps een differentiëëring propageert van de schooljeugd naar het geslacht, zoowel wat de omvang der stof als methode betreft. Ofschoon de wetenschap op grond van de uitkomsten harer onderzoekingen geenszins de noodzakelijkheid van een gedifferentiëerde sexe-ontwikkeling kan bewijzen en de nieuwere paedagogiek eerder een gemeenschappelijke opleiding der beide geslachten voorstaat, begonnen die kringen (n.b. de beweging ging van vrouwen uit!) een levendige propaganda voor een verschil in ontwikkeling: „Terug naar het gezin en naar de vorming van huisvrouw en moeder" werd het parool van dezen propagandisten. Deze kwestie werd in 1929 een punt van groot belang in pers en vergadering.

Het vraagstuk der coëducatie heeft ongeveer evenveel voor- als tegenstanders. In ieder geval moet uit de, tot op heden vernomen uitspraken, de conclusie getrokken worden, dat de gemeenschappelijke opvoeding van buitengewoon groote beteekenis is voor de wederzijdsche houding en waardeering van de geslachten en het best zich aanpast aan dezen tijd met zijn tendenzen van gelijke rechten. De bestaande bezwaren en tekortkomingen van coïnstructie worden bij de individualiseering en het rekbaarder maken van het onderwijs ondervangen.

Mevr. F. van Balen—Klaar. (Uit „de Vrouw en haar Huis").