is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 8, 1933, no 2, 01-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk toch heeft de Semarangsche raad zich aangesloten bij de opvattingen van de Raden van Justitie te Batavia en Soerabaj'a en die van het Hof; eindelijk kan thans ook in Midden-Java met succes worden opgetreden tegen het ergelijk misbruik van accepten door beroeps-geldschieters.

Moge het vorenstaande eene aansporing zijn, om in Midden-Java met nog meer energie den strijd tegen den woeker stelselmatig te voeren.

DE GEHOORZAAMHEIDSPLICHT VAN DE VROUW IN HET HUWELIJK.

Aan de Java Bode ontleenen wij het volgend verslag van de op 26 October j. 1. door Mr. A. Büchenbacher over bovenstaand onderwerp gehouden lezing.

Spreker verklaarde te zullen behandelen de persoonlijke verhoudingen tusschen de echtgenooten, zooals die zijn voorgesteld in de Schets van toekomstig huwelijksrecht van 1926, opgesteld door het op initiatief van de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen opgerichte Comité van Actie (Voorzitter van het Werkcomité mevr. mr. B. Bakker-Nort) en het thans bij de Tweede Kamer aanhangige ontwerp-Donner.

Na een korte historische inleiding besprak spreker allereerst een aantal beginselen van de Schets van toekomstig huwelijksrecht, n.1.

1°. de echtgenooten behartigen hun belangen in onderling overleg,

2°. zij bepalen de plaats van samenwoning in onderling overleg. Bij verschil van meening beslist in het algemeen de echtgenoot, wiens arbeid het meest tot onderhoud van het gezin bijdraagt,

3°. De echtgenooten oefenen tezamen in onderling overleg de ouderlijke macht over hun kinderen uit. Bij oneenigheid beslist de kantonrechter. Beroep op de arrondissements-rechtbank is toegelaten.

4°. Ieder der echtgenooten moet naar zijn middelen en krachten door periodieke uitkeering en werkzaamheden tot onderhoud van het gezin en opvoeding der kinderen bijdragen. Bij oneenigheid over de uitkeering beslist de kantonrechter.

Spreker oefende op deze beginselen critiek uit. Hij was het eens met de opvatting, dat de gehoorzaamheidsplicht der vrouw, zooals onze wet die nog kent, niet meer is van onzen tijd, doch, aldus spreker, dit sluit niet in, nu in een huwelijk, evenals in iedere andere gemeenschap leiding mag ontbreken en de echtgenooten in gewichtige aangelegenheden als opvoeding van kinderen hun verantwoordelijkheid mogen afschuiven op een rechter die maar in zeer beperkte mate tot een juist oordeel in zulke kwesties in staat is.

Uitvoerig schetste spreker de consequenties van het ontbreken van één-hoofdige leiding in het huwelijk en spr. beval het behoud daarvan aan, mits met krachtige waarborgen der vrouw tegen misbruik.

Hij zette uiteen, dat, als men dit beginsel loslaat, het huwelijk zijn functie als een der peilers onzer maatschappij verliest en bovendien de vrouw niet gelukkiger zou maken. In dit verband legde spreker uit, dat een man een vrouw nu eenmaal meestal niet huwt met het oog op haar geschiktheid als vennoote in het beheer eener huwelijksgemeenschap met al wat daarbij komt en zulke bepalingen ook gevaar opleveren voor wettiging van buitenechtelijke verhoudingen. Om dezelfde reden becritiseerde spreker ook een bepaling van het in Nederland aanhangig wetsvoorstel der Staatscommissie tot regeling der afbetalings overeenkomst, welke inhoudt, dat een man geen huurkoopcontract, dat kennelijk de huishouding betreft, mag afsluiten zonder bijstand zijner echtgenoote en omgekeerd. Veel beter is het, aldus spreker, toe te staan, dat het in huurkoop genomen goed mag worden teruggegeven, wat trouwens volgens het wetsvoorstel ook is toegelaten.

Spreker concludeert, dat staande huwelijk zooveel mogelijk alle processen en alle vormen van rechterlijke inmenging tusschen de echtgenooten moeten worden uitgesloten. Is deze absoluut noodig, dan geeft z.i. de actie tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed voldoende waarborg, vooral omdat de vrouw in dit proces zeer sterk staat.

Hoe paradoxaal het ook klinkt, aldus spreker, door de vrouw zooveel mogelijk naar de scheidingsprocedure te verwijzen zal men het aantal scheidingen verminderen in plaats van vermeerderen, want een huwelijk, waarin een van beide partijen al eens een juridisch succes op den ander heeft verkregen, zal zelden goed gaan.

Slechts verruiming der gronden van echtscheiding in zoo sterke mate, dat het huwelijk, in plaats van een bond voor het leven, wordt een eenzijdig opzegbaar contract, zou de volkomen gelijkheid der echtgenooten waarborgen. Zulk een regeling bestaat thans in Sovjet-Rusland. Doch daar is dan ook het beginsel, dat het huwelijk, mede met het oog op de opvoeding der kinderen, is: een der peilers van den staat, in principe verlaten.

In Duitschland en Zwitserland gaat men wel minder ver, doch daar geldt als echtscheidingsgrond: „Zerrüttung der ehelichen Verhaltnisse' , met andere woorden in die landen is het voor echtscheiding voldoende, dat de echtgenooten dusdanig van elkaar zijn verwijderd, dat verder harmonisch samenleven niet

É