is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 8, 1933, no 3, 01-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sommige regeeringen gaven het kiesrecht aan de vrouw uit billijkheidsoverwegingen: immers zij was het op wie voor een groot deel de hoop gevestigd waa voor den opbouw van de verwoeste wereld. Dan kwam haar ook het recht van meespreken toe.

Vele Staatslieden beschouwden het medezeggingschap van de vrouw als een veiligheidsklep, omdat de vrouw niet revolutionair is aangelegd, eerder behoudend. Zelfs het wijzen op het aandeel, dat vrouwen in de Fransche revolutie en andere revolutionaire bewegingen hebben gehad, zijn niet in staat deze meening te wijzigen.

Dat men ook wel vrouwen kan opzwepen tot het mede bedrijven van revolutionaire daden, beteekent niet dat zij revolutionair is.

Geen enkele vrouw zal zich niet met man en macht verzetten tegen het in brand steken van haar huis en haard.

En evenmin als een schilder zal toelaten dat men zijn kunstwerk vernielt, zal de vrouw, de moeder, vrijwillig haar kunstgewrocht, haar kind, afstaan om door bommen en granaten te worden vernietigd.

Revolutie, oorlog beteekent voor haar de kans haar dierbaren, voor wiens behoud zij alles feil heeft, te verliezen. Daarom kan de vrouw niet revolutionair zijn.

Als men de vrouwen in haren arbeid gadeslaat, om het verloren evenwicht tusschen de naties te helpen herstellen; als men ziet hoe ze zonder haat of wrok in het hart in internationale bijeenkomsten met vrouwen van alle nationaliteiten beraadslagen, om een weg te vinden, om de vrede te bevorderen en een oplossing te helpen vinden voor het ontwapeningsvraagstuk, dan bewijst dit, dat zij niets liever willen, dan den oorlog voor goed onmogelijk maken.

Zij gelooven aan een toekomst, waarin een wereld zal zijn waar vrede heerscht, en zoo deze bedreigd wordt, een herstellen van het evenwicht, niet door het zwaard maar door een scheidsgerecht, aan welks uitspraak men zich heeft te onderwerpen.

Dat deze arbeid der vrouwen voor de vrede van groote waarde geacht wordt door groote Staatslieden, als den te vroeg ontslapen vredesapostel Briand en den Engelschen minister van Buitenlandsche zaken, tevens voorzitter van de ontwapeningsconferentie, Henderson, en ook door anderen, is genoeg bekend. Deze hebben onomwonden verklaard, dat ze de hulp der vrouwen noodig hebben om hun doel te bereiken. En toch aarzelt men nog in enkele Europeesche Staten, als Frankrijk, Griekenland, Portugal, Roemenië en Zwitserland om de vrouwen het kiesrecht te geven. Ook in Ned.-Indië nemen de vrouwen nog een ondergeschikte plaats in.

Thans beleven wij wederom een tijd waarin de wereld een bankroet nabij is. Als het zwaard van Damocles hangt ons dit boven het hoofd.

Handel, industrie en internationaal verkeer staan zoo goed als stil. Internationale verhoudingen zijn niet meer als vroeger.

Bloeiende ondernemingen en bedrijven worden van den aardbodem weggevaagd. Van alle kanten dreigen ontslag, vermindering van salarissen, verhoogde belastingen en als gevolg daarvan werkeloosheid, armoe en gebrek. Bestaanszekerheid bestaat niet meer.

De crisis-maatregelen zetten alle rechtszekerheid op losse schroeven, maken beloften en contracten ongedaan.

Troosteloos ziet het er om ons heen uit. Angstig vragen wij ons af: zal de wereld nog lang deze slagen van het noodlot het hoofd kunnen bieden?

En te midden van deze débacle staat de vrouw met de zorg voor haar gezin, met op haar schouders afgewenteld het overgroote deel der verantwoordelijkheid voor het wel en wee daarvan. Op haar komt het aan dit staande te houden.

En in de beperkte ruimte van haar huis strijdt zij een harden strijd om haar gezin te behoeden voor ondergang, en het evenwicht te bewaren tusschen dit en de wereld daar buiten, die steeds veeleische rider wordt en die schier het onmogelijke van haar vergt: zonder morren te aanvaarden, wat men haar oplegt; zonder morren te gehoorzamen aan bepalingen en maatregelen die buiten haar om gemaakt werden, waarin niemand van haar sexegenooten werd gehoord.

Als men zich dit voor oogen stelt, moet men zich dan niet afvragen, of het wel billijk is, dat men haar, de dappere medestrijdster, de trouwe hulpe, vooral in tijden van nood, het recht van medespreken ontzegt?

Zoo ooit, dan is thans de tijd gekomen om de vrouw te bevrijden van haar politieke onmondigheid, opdat zij mede zal kunnen arbeiden aan het herstel van de welvaart van het land.

De wereld heeft de samenwerking van mannen en vrouwen noodig, niet alleen om zich op te heffen, doch ook om haar te behoeden voor een herhaling van de ellende, die haar thans dreigt te vernietigen.

Voor de oplossing van de ingrijpende problemen, die de malaise na zich heeft gesleept, is de samenwerking tusschen mannen en vrouwen onmisbaar.

Zonder hun sociale en politieke samenwerking, zonder een evenwichtig gebruik van alle menschelijke krachten in den lande kan het herstel van de ontwrichte maatschappij nimmer op een, op recht en billijkheid gegrondveste basis, geschieden.

Dat de Ned.-Indische Regeering dit bedenke!

Dat de Ned.-Indische Regeering bedenke, dat de vrouwen reeds sedert 1926 benoembaar zijn voor