is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 8, 1934, no 9, 01-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amsterdamsche Gemeenteraadslid Mevrouw Koek-Mulder. Wij moeten ook wel begrijpen, dat het niet gaat om het gezinsbelang, op grond waarvan men vroeger een arbeidsverbod, dat wil zeggen een loonarbeidsverbod, want ongesalarieerden arbeid wil men haar gaarne laten, voor de gehuwde vrouw verdedigde, gelijk te goeder trouw placht te worden aangenomen door zoo vele eenvoudigen, die, naar een aardig woord van Anna Polak, wel er vóór zijn maar niet er achter. Dat het vooropgestelde gezinsbelang, men had het dan druk over het ontwrichte gezin, in feite slechts was een dekmantel voor de weinig nobele drijfveeren van concurrentievrees, broodnijd en jaloerschheid, wordt thans wel duidelijk openbaar, nu men met een overigens prijzenswaardige openhartigheid niet meer opkomt vóór het gezinsbelang maar tegen, wat men dan noemt, dubbele gezinsinkomens door cumulatie der salarissen van man en vrouw, waar dan toch ook dubbele arbeidspraestatie tegenover staat. De achterstelling in welken vorm ook van de vrouw, gehuwd of ongehuwd, als zoodanig bij den man is de aanranding van een hoog vrijheidsbeginsel, de verzaking van onze grondwettige gelijkstelling met den man, Prof. Dr. Hazewinkel-Suringa heeft daar nog pas op gewezen. Wij vrouwen mogen daarom niet dulden, dat voor ons vrouwen als zoodanig onze diploma's, onze acten van bekwaamheid, van benoeming, van aanstelling worden afgestempeld met den stempel: alleen, geldig in geval van celibaat. Bovendien schept iedere achterstelling in zake beroep en loon van de vrouw als zoodanig bij den man, voor dezen laatste eene onhoudbare concurrentie met den vrouwenarbeid als de goedkoopere arbeidskracht, die bij reeds gebleken gelijkwaardigheid het op den duur van den duurderen mannenarbeid moet winnen, gelijk in Amerika reeds sedert jaren wordt geklaagd, dat de goedkoopere onderwijzeres den duurderen onderwijzer geheel uit de school heeft verdrongen, tot groot nadeel van het onder¬

wijs, waar als overal elders samenwerking, wisselwerking van man en vrouw een vereischte is.

In het jaar 1898 heeft in de overvolle Congreszaal der Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, bij de bespreking van de door Art. 452 van ons Wetboek van Strafrecht gewettigde ontucht, de zustertrits der Van Hogendorpen haar hoorders weten te brengen tot de uitspraak: „Wij, vrouwen van Nederland, wij willen die dingen nu eenmaal niet!" Dat die uitspraak geen ijdele klank was, is wel gebleken uit het feit, dat onder den druk der door de vrouwen bewerkte openbare meening vóór en na in nagenoeg alle gemeenten, het bij Art. 452 van ons Wetboek, van Strafrecht gewettigde bedrijf van houder van een huis van ontucht bij gemeente-verordening werd verboden, zoodat de Wet op de Zedeloosheid, die het fatale Art. 452 ophief, toen zij in 1911 werd afgekondigd, feitelijk slechts een reeds ingetreden toestand bevestigde. Eln in den jare 1910, toen door de Regeering werd ingediend het zoogenaamde Wetsontiverp Heemskerk, waarbij voor alle Rijksambtenaressen, in hoop op navolging door Gemeentebesturen en particuliere werkgevers een verplicht celibaat werd verbonden, wel niet aan de persoon dier vrouwen, — zij bleven immers vrij om na haar ongevraagd ontslag te huwen, — maar dan toch aan haar diploma's, aan haar acten van benoeming, van aanstelling, met in Art. 2. A. van het Wetsontwerp de weerzinwekkende bepaling: „tot de vrouw het 45ste levensjaar zal hebben vervuld", heeft het in 1903 door verschillende Vereenigingsleden van den Nationalen Vrouwenraad van Nederland ingestelde, maar helaas niet meer bestaande Comité in zake wettelijke Regeling van den Vrouwenarbeid, onder leiding van Marie RutgersHoitsema, Wilhelmina Drucker en Anna van Hogendorp ingezet een protest-actie, die nog eens de leuze: „Wij, vrouwen van Nederland, wij willen die dingen nu „eenmaal niet"! zoo luide heeft doen klinken, dat de Regeering het Wetsontwerp Heems-