is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 9, 1934-1935, no 9, 01-05-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuwelinge als ik in dit college ben, durf ik mij bij de algemeene beschouwingen niet dan heel beknopt over enkele punten te uiten. Dit laat ik verder gaarne aan meer bevoegden over.

Toch wil ik gaarne een enkel woord bij de algemeene beschouwingen zeggen, maar wensch eerst een woord van waardeering uit te spreken — als dit hier namelijk op zijn plaats is — voor de groote onvermoeide belangstelling van Z. E. den G. G. en mevrouw De Jonge voor alles, wat hier in Indië op sociaal en maatschappelijk gebied wordt gedaan door particuliere instellingen, en voor den onvermoeiden ijver waarmede zooveel mogelijk alle instellingen, bedrijven en gestichten bezocht worden, gesteund of opgericht, zonder onderscheid van geloof of landaard. Deze groote belangstelling en erkentelijkheid is voor vele vereenigiragen een stimulans om op dezen weg voort te gaan en zoo te trachten bij te dragen tot een beteren welstand en een beteren toestand ook in Nederlandsch-Indië.

Dat ik het woord niet heb gevraagd bij de behandeling der handelscontröleordonnantie, was niet omdat ik voor dit onderwerp geen belangstelling had. Een zekere schroom om dit zoo moeilijke en ingewikkelde onderwerp mijnerzijds aan te snijden, weerhield mij. Thans echter wil ik hier gaarne verklaren, dat ik de invoering dezer ordonnantie zeer toejuich. Dergelijke maatregelen toch beschermen de vrouwen en deze ordonnantie speciaal de inheemsche brouwen tegen overdreven prijsstijging van dagelijksche gebruiksartikelen, juist in dezen tijd, waarin alle bevolkingsgroepen over belangrijk minder inkomsten beschikken.

Het antwoord der Regeering, dat met klem moet worden ontkend, dat de economische politiek uitsluitend gericht zou zijn op de belangen van het Europeesche bedrijfsleven, waarvan de aangehaalde voorbeelden trouwens voor zichzelf spreken, kan ik ten volle onderschrijven. Niet alleen op het gebied der economische politiek, ook op dat van maatschappelijke behoeften is de Regeering mijns inziens geheel neutraal. Alle groepen en landaarden worden zooveel mogelijk in evenredigen zin geholpen waar dit noodig is en

voorzoover zulks in deze financieel moeilijke tijdsomstandigheden mogelijk is. Subsidies, aandeelen in loterijen e.d. worden zooveel mogelijk gelijk-op verdeeld en zelfs de Arabische bevolkingsgroep werd niet vergeten.

Voorts heeft de I. E. V. V. O., waarvan ik het genoegen heb presidente te zijn, met blijdschap vernomen de mededeeling, dat de Regeering niet ontkent djat de huidige tijdsomstandigheden haar eigenaardige moeilijkheden medebrengen voor de economisch zwakkeren, juist in de z.g. blijversgroep. Deze erkenning toch brengt deze groep nader tot de Regeering. Zeer wordt dan ook door de zoo juist genoemde organisatie op prijs gesteld, dat de Regeering hier in overleg en samenwerking met de betrokken organisaties den juisten weg wil zoeken. Deze zal zeker gevonden worden, al zal het slechts in geleidelijk en langzaam tempo kunnen gebeuren.

Gaarne wil ik aan deze woorden enkele toelichtingen toevoegen, zoo ten opzichte van mijn verhouding tot het I. E. V. in den Volksraad, waarnaar mij door velen reeds werd gevraagd en waarnaar anderen althans reikhalzend zullen uitzien.

Ik hoop, dat de Regeering weet — en anders wil ik het hier gaarne verklaren — dat ik geen partijvrouw ben. Voor mij zal het algemeen sociaal belang in de eerste plaats komen. Het spreekt wel vanzelf, dat mij als presidente der I. E. V. V. O. de sociale belangen der zg. blijversgroep het meest na aan het hart liggen en zoo zal dus in heel veel gevallen blijken, dat ik een steun ben voor het I. E. V., daar wij eenzelfde sociaal doel nastreven. Bij mij zal echter in dezen raad het algemeen vóór het groepsbelang gaan.

In de openingsrede is echter duidelijk tot uiting gebracht, dat van mij verwacht wordt ,,de behartiging, onverschillig Tang, stand of landaard7' van de sociale belangen. Waar sociale arbeid mij het naast aan het hart ligt, zal het maatschappelijk werk bij mij uiteraard in de eerste plaats komen, hetgeen impliceert, dat ook de andere landaarden in mij een persoon zullen kunnen zien, die, waar mogelijk, ook hun belangen naar beste weten zal behartigen.